Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging zondag 17 juni, over geduld hebben

17 juni 2018 | Bezinning Jozefgemeenschap

Eerste lezing: Hoop, van Vaclav Havel
Tweede lezing: Marcus 4: 26-34

We leven in een tijd waarin alles snel moet. Als je vandaag een boek bestelt of een laptop of een wasmachine, dan ga je ervan uit dat de volgende dag de pakjesbezorger voor de deur staat met datgene wat je hebt besteld.
Wanneer je een onderzoek hebt in het ziekenhuis, een scan of iets anders, dan moet je vaak een dag of tien wachten, maar je hoeft niet zo lang te wachten! Je kunt ook naar een privékliniek, waar je door de MRI-scan kan en na een uur al de uitslag krijgt, mooi toch!
Als politici veranderingen beloven, moeten ze dat snel waar maken. Anders zijn hun kiezers teleurgesteld en boos dat het zo lang duurt en worden de politici voor ze hun plannen goed en wel hebben kunnen realiseren, weggestemd!

We leven in een samenleving waarin snelheid – én maakbaarheid- de norm zijn.
En dan is er deze parabel van Jezus over de boer die het zaad uitstrooit over zijn akker. Hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe. De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort; eerst de halm, dan de aar en dan het rijpe graan.
Jezus wil zeggen: het gebeurt vanzelf, vertrouw daar maar op. En, zegt Hij, zo is het ook met het Rijk van God. Het groeit, ook al zie je er eerst niet veel van, maar heb geduld, geef het de tijd.

Geduld hebben, het de tijd geven, laten, dat valt ons, mensen van deze tijd, niet mee. Je wilt iets dóen, maar soms kun je niets doen, kun je de situatie niet veranderen.
– Inge heeft een ernstig ongeluk gehad met haar fiets. Het heeft haar leven erg beperkt. Zo is ze heel gauw moe. Ze is nog jong, net 30 en haar leeftijdsgenoten zijn druk, met hun baan, hun relatie, sport etc. etc. Háár leven staat stil. Ze is niet meer van nut, zo voelt ze dat. ‘Ik wil dit leven niet,’ zegt ze fel. Maar soms kun je situaties niet veranderen, hoe graag je dat ook zou willen. Dan doe je er wijzer aan om te leren hoe je met die situatie om kan gaan. Je moet jezelf daar ook de tijd voor geven, zodat aanvaarding kan groeien, ook al weet je niet hoe.
– Sander heeft ruzie met zijn broer. Hij heeft dingen gezegd waar hij nu spijt van heeft. Hij wil het goedmaken en belt zijn broer, maar die is te zeer gekwetst. Sander voelt wel dat hij zijn broer tijd moet geven, dat hij hem even moet laten. Dat valt hem niet mee, – hij wil wat gebeurd is zo graag ongedaan maken -, maar er zit niets anders op dan het er eerst bij te laten. Langzaam groeit het besef bij Sander dat hij verzoening niet kan afdwingen.

Goed, soms is het wijs om geduld te hebben, de dingen te laten, maar Jezus spreekt hier over het Rijk van God. Het Rijk van God is onder ons waar mensen openheid, gastvrijheid en liefde ervaren, waar mensen recht wordt gedaan. Dat Rijk van God vraagt toch dat wij ons daarvoor inzetten? Dat komt er toch niet vanzelf?

Marcus

Gaan we terug naar het Evangelie van Marcus.
Jezus, zo vertelt Marcus, trekt nadat hij gedoopt is door Johannes, door Galilea. Hij roept leerlingen, geneest mensen, bevrijdt hen van boze machten en onderricht de menigte. Velen zijn onder de indruk van zijn leer en van de tekenen die Hij verricht. Máár, er zijn ook mensen die niets van Hem moeten hebben: de Farizeeën, de Schriftgeleerden, de Sadduceeën en anderen. De groep van Jezus’ bewonderaars groeit, maar willen ze Jezus ook echt volgen, of haken ze af wanneer andere zaken hun aandacht vragen of wanneer Hij toch meer van hen vraagt dan ze dachten?
Zijn tegenstanders nemen ook in aantal toe en zij hebben de macht.. Zal het groepje van Jezus’ volgelingen het wel redden?
Kan het Rijk van God met zo weinig mensen wel doorbreken?
In de tijd dat Marcus zijn Evangelie schreef voor de christenen van Rome was er dezelfde bange vraag: wij zijn maar met weinig in deze grote wereldstad, hoe kan het dan ooit iets worden met dat Rijk van God?
En in onze tijd zien we dat steeds meer mensen de kerk voor gezien houden en we vragen ons af: is er nog toekomst voor de kerk, voor de boodschap van Jezus?
En dan klinkt er vandaag die parabel die ons zegt: het komt goed, heb vertrouwen. Zoals het graan groeit, zonder dat je weet hoe, zo zal ook het Rijk van God komen, zonder dat je weet hoe. 

Sorry, Marcus, dat klinkt toch te gemakkelijk. Het lijkt toch verstandiger om plannen te maken. Hoe kunnen wij de jeugd weer bij de kerk betrekken? We moeten revitaliseren, hoe gaan we dat aanpakken? We moeten mensen enthousiast maken en ze ervan bewust maken dat ze ook hun verantwoordelijkheid voor de gemeenschap moeten nemen. Hoe gaan we dat doen?
Als we niets doen, is het zeker dat het na een aantal jaren afgelopen is. Stil zitten en afwachten??

Ik blijf het een moeilijke parabel vinden.
Misschien helpt het als we bij het begin beginnen: Marcus wil de mensen met deze parabel van Jezus de mensen moed inspreken: ‘Jullie zijn wel met weinig, maar heb vertrouwen. Het Woord van God zal opkomen en vrucht dragen.’ En dat is ook gebeurd. De boodschap van Jezus heeft wortel geschoten, eerst bij de Joodse leerlingen van Jezus, later bij allerlei, andere mensen, en het heeft vrucht gedragen. Zijn boodschap is heel de wereld over gegaan. Overal vind je christenen: in Afrika, in Azië, in Zuid- en Noord Amerika, in Australië en Europa! Hoe het kan dat zoveel mensen overal ter wereld deze boodschap hebben aanvaard, dat kunnen we maar beperkt begrijpen. Het mosterdzaadje is uitgegroeid tot een grote boom waarin vogels van heel verschillende pluimage nestelen.

Dat mag zo zijn, maar de kerk hier in Nederland – in West-Europa -, heeft toch zijn beste tijd gehad, zo lijkt het. We kennen allemaal de waarschuwing: rendementen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. Je mag er niet vanuit gaan dat de kerk hier wel zal blijven bestaan, als we niets doen en rustig afwachten. Dus als we willen dat de kerk ook in de toekomst blijft, zal er iets moeten gebeuren, ja toch?!

Dan realiseer ik me met een schok dat ik het steeds heb over de kerk, maar dat Jezus spreekt over het Rijk van God. Deze twee vallen toch echt niet samen. De beweging die door Jezus’ boodschap is ontstaan, is uitgegroeid tot een wereldgodsdienst met verschillende stromingen en de katholieke kerk is daarvan de grootste. Het is een machtig instituut geworden en het heeft de wereld veel gegeven: zorg voor zieken, voor ouderen, vreemdelingen; schoonheid door de bouw van prachtige kerken; prachtige muziek. Er zijn ook zwarte bladzijden: de kruistochten, de inquisitie, misbruik van macht, het uitsluiten van mensen. Jezus heeft het over het Rijk van God en wij over de kerk, dat is niet hetzelfde. De kerk kan wel een instrument zijn om het Rijk van God dichterbij te brengen, maar meer dan eens raakt het Rijk van God buiten beeld en moeten we ons weer bewust voor de geest halen wat dat Rijk van God ook al weer betekent: het is daar waar mensen openheid, gastvrijheid en liefde ervaren, waar mensen recht wordt gedaan, waar mensen worden gezien en gehoord.

Paus Franciscus

Misschien zou de kerk er goed aan doen haar aandacht daar meer op te richten. Paus Franciscus doet dat. Hij vraagt steeds opnieuw aandacht voor de armen, voor gevangenen, voor vluchtelingen, mensen die niet gezien en gehoord worden in de wereld van vandaag. Hij voegt daar ook aandacht voor de aarde aan toe, want dat is ons gemeenschappelijk huis, door God aan mensen gegeven. Minder bakkeleien over de leer en over allerlei voorschriften, maar je inzetten voor de aarde en voor mensen in nood. Nu onderscheiden christenen zich vaak weinig van anderen die niet gelovig zijn, maar dat zou moeten veranderen. Ze zouden met hartstocht en passie zich moeten inzetten voor die wereld van God: waar mensen en waar de aarde recht wordt gedaan. Dat gaat verder dan aardig zijn voor je oude buurman – dat moet ook -, maar het vraagt ook dat wij andere prioriteiten stellen, dat wij werken aan gerechtigheid en vrede, dat wij op een duurzame manier proberen te leven.  
Misschien dat mensen dan zeggen: ‘Je kunt wel zien dat zij christen zijn, zoals zij zich inzetten voor een betere wereld!
Wie weet maakt het de kerk ook weer aantrekkelijker, omdat er iets wordt gedáán!

Merijn Tinga

Er is veel tegenin te brengen, zoals ‘Nu ben je toch weer heel doenerig bezig en Jezus zegt juist: ‘Het groeit vanzelf.’
En een ander zegt: ‘Ik word al moe, als ik eraan denk. Nu moeten we weer zo nodig.’
En een derde zegt: ‘De wereld is heel complex, alles hangt met alles samen, denk toch niet dat je zomaar iets kunt veranderen.’

Om met dat laatste te beginnen. Je kunt niet alles, maar je kunt je wel richten op een bepaald doel. Van de week was er een programma op tv over Merijn Tinga, die zich zorgen maakte over de plastic soep in zee. Hij heeft er aandacht voor gevraagd door de Rijn af te varen op een surfplank gemaakt van plastic zwerfafval. Zijn actie leverde genoeg aandacht en daarmee genoeg handtekeningen op om het probleem in de Tweede Kamer op de agenda te zetten. Het resultaat is dat er mede door zijn actie over drie jaar een regeling moet zijn voor statiegeld op kleine plastic flesjes. Zodat er minder op straat belanden, minder in het water en in de zee. Bondgenoten zoeken is bij zoiets ook belangrijk.
Het tweede bezwaar: ‘Ik word al moe als ik eraan denk.’ Volgens mij is het geloof niet bedoeld om het leven gemakkelijk te maken. Evenmin om je te overvragen. Je hoeft niet te doen wat je niet kunt, maar je wordt wel gevraagd om erover na te denken wat je wèl kunt. Kleine stapjes brengen je ook vooruit. Als je het samen met anderen doet, dan is het gemakkelijker en waarschijnlijk ook leuker.
Het derde bezwaar: ‘Nu ben je weer zo doenerig, zo activistisch. Dat staat echt haaks op de parabel van vandaag.’

Vaclav Havel

Ja, die parabel, met dat ‘Wacht maar, heb vertrouwen, het komt  goed.’ Moeilijk.
Maar dan is er de tekst van Havel die mij deze parabel doet begrijpen.
Hoop is ergens voor werken omdat het goed is, niet alleen omdat het kans van slagen heeft. Hoop is niet hetzelfde als optimisme. Evenmin de overtuiging dat alles goed zal aflopen, wel de zekerheid dat iets zinvol is, ongeacht de afloop. Dat geeft ruimte. We hoeven er niet krampachtig voor te zorgen dat het Rijk van God dichterbij komt, of ervoor te zorgen dat de kerk blijft bestaan. Ons wordt gevraagd te doen wat goed is. Of het resultaat heeft, dat mogen we in vertrouwen aan God overlaten. Hij zal het goede zegenen en niet verloren laten gaan. Het zal vrucht dragen op Zijn tijd. En dan lijkt het toch wel op de parabel, van het zaad dat groeit en wij weten niet hoe.
Het zal misschien anders gaan dan wij denken en verwachten, maar als wij het goede doen, dan mogen we blijven hopen dat het Rijk van God zal komen. Geloven wij niet op wat  verankerd ligt voorbij de horizon?

Heeft u er vertrouwen in dat het Rijk van God zal komen, die wereld waar mensen openheid, gastvrijheid en liefde ervaren, waar mensen recht wordt gedaan, waar mensen worden gezien en gehoord?

H. van Schalkwijk