Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging 25 maart, Palmzondag

25 maart 2018 | Bezinning Jozefgemeenschap, Jozefgemeenschap

Eerste lezing: Marcus 11: 1-10
Tweede lezing: Marcus 14: 1-9

Het is bijna Pesach, het Joodse Paasfeest, het feest van de ongedesemde broden. In Jeruzalem is het druk. Stromen pelgrims zijn naar de stad gekomen om daar in Jeruzalem te gedenken dat God lang geleden Israël heeft bevrijd uit slavernij. Elk jaar opnieuw kloppen tijdens de viering van Pesach de harten sneller en neemt de spanning toe. Zal God zijn volk opnieuw bevrijden? Nu van de onderdrukking door de Romeinen?
De Romeinse autoriteiten hebben in de loop van de jaren hun les geleerd en zij treffen hun voorzorgsmaatregelen: extra troepen in de stad; en mocht het nodig zijn, dan zullen ze niet aarzelen om met harde hand de orde en de rust te handhaven. In die explosieve atmosfeer, vol spanning en dreiging, is Jezus naar Jeruzalem gekomen. Hij is de stad binnengetrokken, – we hoorden dat zojuist – en als een koning toegejuicht door de mensen. Zij zien vol verlangen uit naar bevrijding en die lijkt nu heel dichtbij.
De spanning loopt verder op als Jezus in de tempel de geldwisselaars en de duivenverkopers van het tempelplein jaagt.
Overdag leert Jezus in de tempel. Het volk luistert graag naar hem, maar de Schriftgeleerden en hogepriesters moeten niets van hem hebben. Hij bedreigt hun gezag en hun positie.
– Zoals ook in onze tijd machthebbers niets van kritische mensen moeten hebben en middelen zoeken om hen tot zwijgen te brengen, als het moet met geweld.-
Zo zoeken ook de Schriftgeleerden en hogepriesters een gelegenheid om Jezus met een list in handen te krijgen en hem ter dood te brengen.
Jezus weet dat. Overdag is hij met zijn leerlingen in Jeruzalem, – dat is betrekkelijk veilig, ze zullen hem niet op klaarlichte dag arresteren, want dan zou het volk weleens in opstand kunnen komen, – maar ’s nachts loopt hij gevaar.
Daarom gaat Jezus, als het avond is, de stad uit en overnacht hij in Bethanië, een klein dorpje dichtbij Jeruzalem. Dat is veiliger.

Daar in Bethanië vindt de gebeurtenis plaats waarvan Marcus ons vertelt: een vrouw die Jezus zalft met kostbare balsem. Dit verhaal is ons overgeleverd door alle vier de Evangelisten. Ik vermoed dat de versie die Lucas van dit gebeuren geeft, het bekendste is. Lucas vertelt dat een zondige vrouw het huis binnenkomt waar Jezus te gast is en dat zij achter Jezus gaat staan, bij zijn voeten, deze natmaakt met haar tranen, ze afdroogt met haar haren, ze kust en tenslotte zalft met balsem. Lucas vertelt dit verhaal in het kader van schuld en vergeving. Jezus vergeeft de vrouw haar zonden, want zo zegt hij: ‘Veel zonden zijn haar vergeven, want zij heeft veel liefde getoond.’
Marcus vertelt hetzelfde verhaal: een vrouw die Jezus zalft, hetzelfde verhaal en toch volkomen anders.

Marcus heeft het ook over een vrouw, maar niet over een zondige vrouw. In onze christelijke traditie is dat maar een kleine stap: van een vrouw naar een zondige vrouw.
Het beeld dat de kerk in de loop van de geschiedenis van de vrouw heeft gegeven is maar al te vaak dat van de vrouw als zondares en i.h.b. als degene die de man tot zonde verleidt.
Daarom zeg ik het hier met nadruk, bij Marcus is er geen sprake van een zondige vrouw, maar gewoon van een vrouw.

Deze vrouw zalft niet de voeten van Jezus. Nee, ze breekt het flesje met kostbare balsem open en giet de balsem over het hóófd van Jezus.
Wat mag dat betekenen? De mensen die daar aanwezig zijn, vragen zich dat niet af. Ze reageren direct: ‘Waar is dat goed voor?’ Ze vinden het verspilling en zeggen verontwaardigd: ‘Deze balsem had voor 300 denariën verkocht kunnen worden en aan de armen gegeven.’ Zij varen tegen haar uit: ‘Wie doet er nu zoiets?! Echt iets voor een vrouw om zo dwaas te zijn! Gebruik toch je verstand!’

Er is een vrouw die een teken stelt door Jezus’ hoofd te zalven. Wie is deze vrouw? Waarom komt zij tot deze daad? Wat wil zij daarmee zeggen?
Marcus vertelt ons niet hoe de vrouw heet. Zij blijft naamloos; zij blijft ook woordeloos. Heeft zij nog iets gezegd? Marcus vertelt ons daar niets over.
Zij heeft geen naam, haar stem wordt niet gehoord. Zij heeft een gebaar gemaakt en wat wil zij daarmee zeggen?
De leerlingen van Jezus begrijpen het niet. Nu heeft Marcus al eerder duidelijk gemaakt dat de leerlingen Jezus vaak niet begrijpen, dat ze niet begrijpen wat hem voor ogen staat, waar het hem om gaat. De leerlingen vragen ook nu niet waarom deze vrouw die dure balsem giet over het hoofd van Jezus. Ze hebben hun oordeel al direct klaar. – Dat is de meesten van ons niet vreemd: wij hebben vaak ook snel een oordeel klaar, al voor we weten wat er nu eigenlijk gaande is.-
Zo hebben de leerlingen het over het nut van deze daad i.p.v. over de betekenis daarvan.
Ze maken haar verwijten over de verspilling van de dure balsem, maar Jezus neemt het voor haar op. ‘Laat haar,’ zegt hij. ‘Wat maken jullie het haar lastig? Ze heeft een goed werk aan mij gedaan. Want de armen hebben jullie altijd bij je en zo vaak je wilt, kun je hen goed doen.’
Geld geven aan de armen of niet, daar gaat het hier helemaal niet om. Het spreekt voor zich dat ieder die zich leerling van Jezus weet –toen en nu -, waar en wanneer hij kan de armen helpt, maar dat staat los van deze zalving.

Dus nogmaals de vraag: wat is de betekenis van deze zalving? Om dat te begrijpen, moeten we kijken naar wat zalving betekent in het Eerste Testament. Daar wordt verteld hoe koningen en profeten gezalfd worden en dit gebeurde door olie/balsem over hun hoofd te gieten.
De vrouw heeft een kruikje balsem bij zich, maar geen gewone balsem, maar echte kostbare nardusbalsem, ter waarde van 300 denariën, d.w.z. net zoveel als een arbeider in een heel jaar verdiende, balsem een koning waardig.
Door deze kostbare balsem over het hoofd van Jezus leeg te gieten, stelt zij een profetische daad. Daarmee maakt zij duidelijk dat Jezus de Gezalfde, de Messias is.
Petrus heeft op de vraag van Jezus: ‘Wie zeggen jullie dat ik ben?’ met zoveel woorden gezegd: ‘U bent de Gezalfde, de Messias.’ Deze vrouw heeft met een gebaar hetzelfde gezegd: ‘U bent de Gezalfde, u bent koning en profeet.’

Toen Jezus Jeruzalem binnentrok, juichten de mensen hem toe. Ze zwaaiden met takken en zongen hosanna, als was Jezus een koning. Ze hopen dat hij hen zal bevrijden van de onderdrukking door de Romeinen, maar als later blijkt dat hij dat niet doet, slaat de stemming om. Dan zullen ze roepen: ‘Weg met hem, aan het kruis met hem!’
Jezus wil geen koning zijn die uit is op macht en die met geweld en bloedvergieten de onderdrukkers verjaagt.
Steeds weer blijkt dat de leerlingen, – die van toen en die van nu – Jezus en wat hem voor ogen staat, niet begrijpen.
Jezus’ weg is niet de weg van macht en geweld. Zijn weg is een andere, trouw aan God en aan de mensen, zelfs als hij dat met de dood moet bekopen. Jezus kent de consequenties van de weg die hij gaat, hij kent het gevaar dat hij loopt.
Heeft deze vrouw begrepen dat Jezus’ invulling van het koningschap kan uitlopen op marteling en dood?
Jezus legt haar daad in ieder geval zo uit, want zegt hij: ‘Ze heeft gedaan wat ze kon. Bij voorbaat heeft ze mijn lichaam gezalfd met het oog op mijn begrafenis.’
Tegenover de mannelijke leerlingen die op haar daad met onbegrip reageren, staat deze vrouw die de ware leerling van Jezus is.
Zo is het ook opmerkelijk dat de leerlingen, als Jezus gearresteerd wordt, allemaal wegvluchten, maar dat het de vrouwen zijn die bij het kruis staan. Dat geeft te denken.
In een patriarchale samenleving, zoals de Joodse en Grieks-Romeinse samenleving van die tijd, tellen vrouwen niet mee, worden ze niet gehoord en niet gezien.
Dat overkomt ook bijna deze vrouw die Jezus heeft gezalfd, maar dat dat deze keer niet gebeurt, is omdat het Jezus zelf is, die zegt: ‘Ik verzeker jullie, waar ook ter wereld het Evangelie wordt verkondigd, daar zal ook ter herinnering aan haar verteld worden, wat zij gedaan heeft.’
Uit deze woorden blijkt wel hoe belangrijk Jezus het vindt wat zij gedaan heeft. Jezus’ woorden geven aan dat hier iets heel wezenlijks is gebeurd.
Misschien leven we nu, zoveel eeuwen later, pas in een tijd waarin er voldoende oog is voor de rol van vrouwen, in de samenleving en in de kerk, om dit tot ons door te laten dringen en serieus te nemen.

Terug naar de gebeurtenissen van toen. Judas Iskariot, een van de 12 leerlingen, gaat hierna naar de hogepriesters. Ook Judas heeft het nu begrepen: Jezus wil liever sterven dan met macht en geweld het Rijk van God vestigen. Het is onverdraaglijk voor hem. Zijn droom is in stukken uiteengeslagen. Hij gaat naar de hogepriesters en zegt hen dat hij hen wil helpen om Jezus in handen te krijgen. Zo komt Jezus’ dood steeds dichterbij.

Jezus spreekt vlak voor zijn dood over de goede boodschap, het Evangelie. Dan kan het niet zijn dat het ophoudt met zijn dood. Jezus zal sterven, dat lijkt onvermijdelijk, gegeven de situatie van die dagen: de vijandschap van de Joodse religieuze leiders, de angst voor onrust van de Romeinse autoriteiten. Jezus weet dat geweld steeds weer geweld oproept. Hij laat zich liever ombrengen dan dat Hij zelf geweld gebruikt, opdat het niet bij het oude zal blijven, opdat een nieuw begin mogelijk wordt. Jezus hoopt en gelooft dat de spiraal van het geweld, van de macht, van de hebzucht doorbroken kan worden.

Wie die hoop met hem wil delen, die weg met hem wil gaan, die is waarlijk leerling van Jezus Messias, d.w.z. Jezus de Gezalfde!
Deelt u Jezus’ hoop dat de spiraal van het geweld, van de macht, van de hebzucht kan en zal worden doorbroken?

H. van Schalkwijk

(Meer foto’s van Palmzondag vindt u op de jongerenpagina van de Jozefgemeenschap)