Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging 29 maart, Witte Donderdag

29 maart 2018 | Bezinning Jozefgemeenschap, Jozefgemeenschap

Eerste lezing: de monniken van het Atlasklooster
Tweede lezing: Marcus 14: 17-26

De monniken van het Atlasklooster

In het Atlasgebergte in Algerije
wonen acht Franse monniken in een klein klooster.
Ze leven daar in vrede met de dorpelingen.
Broeder Luc, arts, behandelt de mensen uit het dorp.
Hij is zeer geliefd.
Een van de andere monniken helpt de mensen
die niet kunnen lezen en schrijven,
bij het invullen van formulieren
of het schrijven van brieven.
De andere monniken werken
op het stukje land dat het klooster bezit
en verbouwen groente voor eigen gebruik.
Ook houden ze bijen om de honing te kunnen verkopen
op de plaatselijke markt.
Broeder Christian is de prior.
Hij besteedt veel tijd aan het bestuderen
van de bijbel en de koran.
Hij zoekt naar overeenkomsten in de beide godsdiensten.
Hij heeft veel respect voor de islam en de Arabische cultuur.
Als er een jongetje wordt besneden,
zoals gebruikelijk bij moslims,
dan zijn ook de monniken welkom op het feest.

Zo leven ze daar in alle rust,
tot in de jaren ’90 er onrust ontstaat.
De regering en fundamentalistische moslims
komen tegenover elkaar te staan.
Verschillende extremistische groepen gebruiken geweld.
Ook in het klooster dringen die verhalen door.
Het geweld komt steeds dichterbij.
Niet ver van hun klooster worden in 1993
Kroatische arbeiders omgebracht.
De monniken staan voor de vraag:
moeten we blijven of weggaan?

Als Jezus met zijn leerlingen aan tafel is gegaan, dan zegt hij onder het eten: ‘Een van jullie die nu met mij eet, zal mij overleveren.’. Je zou verwachten dat zijn leerlingen hevig geschokt zouden zijn. Ze hebben wel in de gaten gehad dat de sfeer in de stad gespannen was. Misschien waren ze ook wel bang voor de hogepriesters en de Schriftgeleerden en voor de Romeinse soldaten, maar dat iemand uit hun eigen kring Jezus zou verraden?! Dat kan toch niet?!
Je had ook kunnen denken dat ze verontwaardigd zouden reageren: ‘Wie dan? Wie doet zoiets nou?’ en dat ze elkaar met een blik vol achterdocht zouden bekijken: ben jij degene die onze geliefde rabbi zal verraden?!
Maar nee, ze worden bedroefd en vragen n.b. aan Jezus zelf: ‘Ik ben het toch niet, rabbi?’

Ze zijn Jezus gevolgd. Ze hebben het leven dat ze kenden, opgegeven, ze hebben hun familie, hun thuis achtergelaten.
Nu dringt de vraag zich aan hen op: als het er echt op aankomt, zullen ze dan sterk genoeg zijn om Jezus niet in de steek te laten? Om hem niet, uit angst of als een soort vlucht naar voren, te verraden aan degenen die Hem haten en zijn dood wensen?
Zullen ze als het er echt op aankomt, bij Hem blijven, of weggaan?

Het is een vraag aan ieder van ons: blijven we trouw? Trouw aan Jezus, aan wat Hem voor ogen staat: het Koninkrijk van God dichterbij te brengen door goed te doen, integer te zijn, betrouwbaar, zorg te hebben voor mensen die je nodig hebben, en het moeilijkste van al: je te verzetten tegen onrecht.
Heb je dan zoveel geloof dat je ook in moeilijke situaties durft te vertrouwen op God?
Het is misschien niet zo’n opgave als het je niet al te veel kost: niet teveel moeite, niet teveel tijd, niet teveel geld.
Maar het wordt iets anders als het erop aankomt, als het je ook je baan kan kosten, als het je in conflict brengt met je familie, je vrienden, of als het zelfs je leven kan kosten.

Gaan we terug naar de eerste lezing over het Atlasklooster waar die acht Franse monniken wonen. Ze moeten onder ogen zien dat het geweld dichterbij komt. Een aantal Kroaten, christenen, zijn niet ver van hun klooster omgebracht. Ook zij kunnen het slachtoffer worden van geweld.
Op een avond dringt een gewapende groep mannen het klooster binnen. Ze eisen medicijnen. Christian, de prior, weigert. ‘Die zijn nodig voor de mensen in het dorp,’ zegt hij. Christian weet door zijn optreden respect af te dwingen en de groep vertrekt.
‘Heel verstandig,’ vindt broeder Luc, ‘Als je ze medicijnen had meegegeven, dan zouden ze elke keer terugkomen.’
‘Ze kunnen,’ zo zegt de oude Amedée, ‘het ook opvatten als een oorlogsverklaring dat je geweigerd hebt om hen medicijnen te geven.’
Het is niet altijd duidelijk wat goed en wijs is. Dat speelt des te sterker als ze het hebben over de vraag: ‘moeten we blijven of weggaan?’
Hoe groot is het risico? De kans is er dat ze slachtoffer van geweld worden. Kun je dan niet beter weggaan?
Broeder Jean Pierre zegt het kernachtig: ‘Partir est fuir.’ Vertrekken is vluchten. Christoff, de jongste monnik, is bang, hij kan er niet van slapen. ‘Wat is het nut om te sterven, hier, nu? Om helden te worden? Om martelaar te worden?’
Ja, wat heeft het voor zin om te sterven? Als je dood bent, kun je toch ook niets voor anderen betekenen.  – Zou die gedachte Jezus misschien ook door het hoofd gespeeld hebben? –
De gouverneur dringt er bij de monniken op aan het land te verlaten. Hij kan de veiligheid van de monniken niet garanderen. Moeten ze weggaan?
De dorpelingen zijn bang voor de terroristische groepen en hebben evenmin vertrouwen in het leger. Zij hebben alleen vertrouwen in de monniken. Zij vragen hen niet weg te gaan.
Moeten ze blijven?
Het is een worsteling, een die tijd vraagt. Het is niet een beslissing die je van het een op het andere moment neemt: bv.  ‘we blijven’ en daarmee is het klaar.
Als ze er later weer op terugkomen, dan hebben ze allemaal besloten om te blijven. Jean Pierre is duidelijk: ‘Sinds wanneer gehoorzamen wij aan wapens?’ En broeder Michel meent:  ‘een leerling is niet meer dan zijn meester.’
Christian, de prior, die er steeds voor heeft gepleit om te blijven, zien we in de nacht, in de stromende regen, de wind doet de takken van de bomen heen en weer zwiepen. Je ziet hem worstelen – als Jezus in Getsemané – ‘heb ik er goed aangedaan? Was het de juiste beslissing? Of toch niet?’

Als je wil doen wat goed is en de gevolgen zo ingrijpend zijn dan vraagt dat tijd. Wat heeft jouw beslissing voor gevolgen voor jezelf, voor de mensen voor wie je je verantwoordelijk voelt, met wie je verbonden bent. Het is ook een beslissing die je steeds a.h.w. moet heroveren op je twijfels.
Misschien kent u dat uit eigen ervaring?
Het is bij nader inzien dan ook niet zo vreemd dat de leerlingen van Jezus twijfelen of zij wel tot het einde de weg met Jezus kunnen en durven gaan. 

Keren wij weer terug naar de monniken in het Atlasklooster. Wij zien ze aan de maaltijd. Ze krijgen een glas wijn, ter ere van broeder Bruno die hen is komen opzoeken. Hij heeft medicijnen meegebracht voor Luc, hosties voor Etienne, nu ja eigenlijk voor allemaal, een boek voor Christian ed. Daar aan de maaltijd zie je hoe ze zich met elkaar verbonden voelen, nu ze allen en ieder voor zich, het besluit genomen hebben om te blijven.  Ze glimlachen en zien er gelukkig uit.
Ze voelen zich duidelijk met elkaar verbonden. Even later zie je hoe hun glimlach verdwijnt, hoe ze allemaal steeds ernstiger worden en hoe er bij sommigen tranen in de ogen komen. Er is het besef hoe ernstig de situatie is: hoe vaak zullen ze nog samen eten en in vrede samenzijn? Hoeveel tijd is hen nog gegeven? Ze zijn samen in een sfeer van grote verbondenheid én van diepe ernst.

Ik stel me zo voor dat toen Jezus met zijn leerlingen samen was, daar in die bovenzaal in Jeruzalem dat ook zo was. De opmerking van Jezus over het verraad door een van hen, heeft hen doen beseffen dat dit niet een Pesachfeest is als vorige jaren. Een diep besef van de ernst van de situatie heeft hen doordrongen.
Als Jezus het brood met hen deelt en niet zegt, zoals gebruikelijk is: ‘Dit is het brood der ellende’ maar: ‘Dit is mijn lichaam’ en als hij de beker aan hen doorgeeft en zegt: ‘Dit is mijn bloed van het verbond, uitgeschonken voor velen,’ dan beseffen ze dat dit een heel bijzonder moment is.
Het zal hen hun hele leven bijblijven. Zijn gebaren, zijn woorden maken diepe indruk en als ze dan samen de psalmen zingen, zoals dat gebruikelijk is bij het Pesachfeest dan voelen ze een grote verbondenheid met Jezus en met elkaar.

Jezus is diezelfde nacht nog gevangen genomen en na een schijnproces aan het kruis geslagen en gestorven.
De monniken zijn door een terroristische groep ontvoerd en omdat hun eisen door de Franse regering niet werden ingewilligd, vermoord. Hun lichamen zijn nooit gevonden.

Maar dit is niet het laatste. Zij hebben ons iets nagelaten: broeder Christian een brief, Jezus het gebaar van breken en delen.
Broeder Christian had, al na de eerste inval in het klooster door gewapende mannen, een brief geschreven, te openen na zijn dood. Zijn afscheidsbrief eindigt zo: ‘Dit dankwoord is natuurlijk bestemd voor jullie, mijn vrienden van gisteren en vandaag, maar ik sluit ook zeker jou in, mijn vriend van het laatste ogenblik (hij bedoelt daarmee zijn moordenaar). Je zal niet geweten hebben wat je doet. Ja, ook dit dankwoord en dit ‘a-Dieu’ zijn voor jou in wie ik Gods gezicht zie. Moge het ons gegeven zijn dat wij elkaar in het paradijs weerzien, zo het God, ons beider Vader belieft, Amen, Inshalla.’

En Jezus zegt tot zijn leerlingen: ‘Ik zal niet drinken van de vruchten van de wijnstok tot ik haar nieuw zal drinken in het koninkrijk van God.’ Jezus heeft zijn leven gegeven aan het verkondigen van het Koninkrijk van God. Waar hij was, ervoeren mensen al iets van dat koninkrijk. Met zijn woorden van vandaag getuigt Jezus, met de dood voor ogen, van zijn geloof dat het Koninkrijk van God er zal komen, die wereld waar vrede en gerechtigheid zullen bloeien, waar vreugde en liefde zich thuis voelen.
En hij liet ons dit gebaar na: het breken van het brood, het delen van de beker met wijn. Als wij brood en beker delen, dan herinneren wij ons zijn woorden van goedheid en liefde, wij herinneren ons de verhalen die hij vertelde over een God die vergeving schenkt en die ook ons vraagt om te vergeven.
Wanneer wij bij het breken van het brood en het delen van de beker, ons dat alles herinneren, dan is het alsof hij in ons midden is, sterker nog: dan weten we dat Hij in ons midden is. Dan zullen wij vervuld worden van een gevoel van diepe ernst, omdat we weten wat het een mens kan kosten als hij leeft Hem achterna.
Dan zullen wij vervuld worden van een grote verbondenheid met Hem en met elkaar.
Moge het zo zijn

H. van Schalkwijk