Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging zondag 21 oktober, oecumenische viering

21 oktober 2018 | Bezinning Jozefgemeenschap, Jozefgemeenschap

Eerste lezing: Prediker 2: 18-25
Tweede lezing: Marcus 10: 32-45

Jezus is met zijn leerlingen op weg naar Jeruzalem. Hij vertelt over wat er daar zal gebeuren: dat de hogepriesters en Schriftgeleerden Hem ter dood zullen veroordelen en overleveren aan de Romeinen. Dat Hij gegeseld, bespot en ter dood zal worden gebracht. (en na drie dagen weer opstaan).
Het is de derde keer al dat Jezus hierover met zijn leerlingen spreekt, maar het lijkt niet tot hen door te dringen, want direct hierna vragen Jacobus en Johannes om op de beste plaatsen te mogen zitten rechts en links van Jezus. Als de andere tien dat horen, ergeren ze zich aan Jacobus en Johannes. Het is een ruzie over wie de belangrijkste is. Ze hebben nog steeds niet begrepen waar het Jezus nu eigenlijk om gaat. Ze zijn Jezus gevolgd omdat ze onder de indruk van Hem waren, van zijn woorden, van de tekenen die Hij deed. Met Hem zou iets nieuws beginnen. Al gauw werd in heel Galilea over Jezus gesproken. Heel veel mensen kwamen naar hem toe om hem te zien en te horen. Bij deze Jezus hoorden zij, zijn leerlingen! Zij deelden in het ontzag, de bewondering die de mensen voor hun meester hadden. Hij zou een invloedrijk man worden, een man met gezag. Dat was hij nu al! Ze droomden grote dromen.
Ze zouden echter in Jeruzalem tot de ontdekking komen dat Jezus niet de weg van de machthebbers wilde gaan. Hun dromen over belangrijk zijn en aanzien genieten zouden hen uit handen geslagen worden.

Verwachtingen, dromen, idealen. Ze worden soms wreed verstoord door de loop die ons leven neemt. Kyra kreeg al op jonge leeftijd, zo rond haar 20e, een chronische ziekte. Met medicijnen bleef haar situatie stabiel, maar ze had weinig energie. Haar leeftijdgenoten waren druk met studie of werk, met uitgaan, sporten en zo meer, maar haar leven was beperkt. Zij werkte halve dagen en als ze dan thuiskwam, was ze uitgeteld. Ze tenniste graag, maar vaak was ze daar te moe voor. Soms ging ze uit, maar de dagen daarna was ze niets waard. Ze had gedacht een leven te kunnen hebben, net als anderen. Die gedachte moest ze loslaten.
Zo zijn er veel mensen die vanwege gezondheidsklachten beperkt zijn in wat ze kunnen. Vroeger konden ze dit nog, konden ze dat nog, maar dat gaat allemaal niet meer. Voor jonge mensen als Kyra is dat extra schrijnend, maar ouderen hebben er vaak ook veel moeite mee. Wordt het nu alleen maar minder?

De ouders van Kyra maken zich zorgen om haar. Ze heeft weinig vrienden of vriendinnen, want ze heeft de energie niet om samen iets te ondernemen, shoppen, ergens wat gaan drinken, sporten. Ze zien dat Kyra het moeilijk heeft. Ze zouden haar willen helpen en dat doen ze ook, zover dat kan, maar Kyra wimpelt dat vaak ook af. ‘Ik regel het zelf wel, ik kan dat best. Laat me nou!’
Als kinderen het huis uitgaan, dan moet je ze loslaten. Dan gaan ze hun eigen weg en ze moeten leren hun eigen problemen op te lossen. Je kunt hen advies geven (als ze dat willen horen), maar je kunt het niet meer voor hen oplossen, zoals toen ze nog klein waren.
Je moet ze loslaten. Dat gaat gemakkelijker als je ziet dat je kind stevig in haar schoenen staat, als je het vertrouwen hebt dat ze het wel zal redden.
Dat ligt anders voor de ouders van Kyra omdat ze zien dat het niet zo goed gaat met haar. Wanneer je ziet dat je kind eigenlijk het leven niet aankan, is loslaten een hele opgave. Je kunt misschien helpen bij praktische zaken. Als je een handige vader bent, dan wil je misschien wel helpen met verven, vloeren leggen of zoiets. Als er financiële problemen zijn, kun je misschien ook helpen, maar als er bv. sprake is van psychische problemen of verslaving, dan is dat heel moeilijk. Je ziet dat het niet goed gaat, maar je kan weinig of niets doen. Je moet het loslaten, anders zou je er zelf aan onderdoor gaan. Ik bedoel niet je kind loslaten, maar wel de gedachte dat jij ervoor kunt zorgen dat het gelukkig is. Die gedachte moet je loslaten, want dat gaat niet.

Loslaten is vaak moeilijk. Zoals Prediker zegt over de mens die zorgen heeft en piekert: zelfs ’s nachts vindt hij geen rust. Dat is herkenbaar, vermoed ik. Dat vooral ’s nachts de zorgen het sterkst gevoeld worden, dat je ligt te woelen en niet kan slapen.

Prediker heeft nog het een en ander te zeggen dat in dit verband van belang is. ‘Het vreselijkste,’ zo zegt Prediker, ‘leek mij dat ik alles wat ik met mijn harde werken onder de zon had bereikt, voor mijn opvolger moest achterlaten. En wie weet of hij een wijs man zal zijn of een dwaas? Toch zal hij beschikken over alles wat ik onder de zon met wijsheid bij elkaar gebracht heb. Ook dat is ijdel.’
Neem nu als voorbeeld de boerenbedrijven. Generaties lang zijn boerenbedrijven overgegaan van vader op zoon, maar nu gebeurt dat lang niet altijd meer. Kinderen voelen er niet voor of ze zien geen toekomst in de landbouw. Je hebt hard gewerkt en je bent trots op wat je hebt bereikt, maar als jouw kinderen het bedrijf niet willen overnemen, wat voor zin hadden al jouw inspanningen dan? Het bedrijf waar jij met hart en ziel voor hebt gewerkt, wordt verkocht en ánderen zetten het voort.
Of je werkt op een school en je hebt je daar erg ingezet voor kinderen die wat extra steun nodig hadden, kinderen met dyslexie, kinderen met ADHD, kinderen met een taalachterstand. Het heeft je veel tijd en energie gekost om ervoor te zorgen dat de hulp en begeleiding goed geregeld werd. Je ziet hoe goed het de kinderen doet, dat ze echt mee kunnen doen. Maar dan ga je met pensioen en al gauw hoor je dat je opvolger allerlei zaken veranderd heeft. Alles wat jij hebt opgebouwd is er binnen enkele jaren niet meer. Waarvoor heb jij je dan zo ingezet? Je moet het loslaten. Het is jouw zaak niet meer.
Rowan heeft ook zoiets meegemaakt en hij kan zich er elke keer weer over opwinden. Zijn vriend zegt: ‘Maak je er niet druk om, zo gaan die dingen gewoon.’ Rowan vindt het moeilijk.
Een poos later ontmoet hij een vroegere collega van school. Die is er inmiddels ook weg. Hij kon niet overweg met de nieuwe directeur. Het is uitgelopen op een conflict en na een heel vervelende tijd is hij daar uiteindelijk weggegaan. Dat zet Rowan aan het denken. Het kan dus ook heel anders gaan. Hij heeft op school altijd met plezier gewerkt, hij heeft het een en ander bereikt en is op een goede manier weggegaan. Dat het nu anders gaat, is jammer, maar zolang hij daar werkte heeft hij een goede tijd gehad. Hij kan zijn werk en de school nu in een ander licht zien en kan er vrede mee hebben.

Terug naar het Evangelie van vandaag. Jezus is met zijn leerlingen op weg naar Jeruzalem. Als ze daar eenmaal aangekomen zijn en hij op een ezel de stad binnenrijdt, toegejuicht als was hij een koning, gaan de harten van allen die erbij zijn, sneller kloppen, ook de harten van de twaalf leerlingen. In die sfeer van hoopvolle verwachting hebben ze vast niet gedacht aan de woorden die we vandaag van Jezus gehoord hebben. Niet veel dagen later wordt Jezus gearresteerd en ter dood veroordeeld. Dan is het niet langer mogelijk vast te houden aan hun droom van een grootse toekomst.
Hoe was het voor Jezus? Hij wist welk risico Hij liep, toen Hij naar Jeruzalem trok. Zijn leerlingen, zo maakt Marcus de lezer keer op keer duidelijk, begrijpen Hem niet. Het blijkt ook uit de vraag van Jacobus en Johannes en de reactie van de andere tien leerlingen. Heeft Hij ooit gedacht: is mijn boodschap wel zinvol, als zelfs mijn leerlingen mij niet begrijpen? Moet Ik mijn droom om in Jeruzalem mijn boodschap te brengen, niet loslaten? Of heeft Hij zonder aarzelen vastgehouden aan de weg, nadat Hij die eenmaal was ingeslagen? Het leek vergeefs, zinloos, om daarheen te gaan. Maar het was zijn roeping, zo geloofde Hij, dat vroeg God, zijn Vader, van Hem.
Soms moet je aan iets vasthouden, omdat het goed is, omdat het belangrijk is, omdat je niet anders kan.
En soms moet je loslaten. Het leven stelt ons steeds weer voor de keuze: moet ik hier nu aan vasthouden, door blijven gaan op de ingeslagen weg of is het nu wijzer, verstandiger om los te laten?

Dan gaan we nu verder waar we gebleven waren dat loslaten vaak moeilijk is, je hebt er tijd voor nodig. Veel hangt af van wat, of wie, je moet loslaten, op welk moment in je leven en ook of je daarbij steun hebt van anderen.
Soms groei je ook naar zo’n moment van loslaten toe. Je weet dat het komt en bewust of onbewust maak je je al enigszins los. En als het dan zover is, dan is dat loslaten als het blad van de boom dat in de herfst vanzelf loslaat en naar beneden dwarrelt. Het is er de tijd voor om afscheid te nemen.

Als je kunt loslaten en de nieuwe situatie kunt aanvaarden zoals die is, dan kan er ook ruimte komen voor andere dingen dan het gemis. Dan denk je niet alleen maar aan wat niet meer is of niet meer kan, aan wíe er niet meer is, maar dan krijg je ook oog voor wat er nog wel aan goeds gebleven is. Of wat er aan goeds zich in die nieuwe situatie aandient.
Misschien had je door de drukte van het werk of door de zorg die je voor een naaste had, niet veel tijd voor vriendschappen. Die tijd is er nu wel. Nu is er weer tijd om een hobby op te pakken, weer te gaan fietsen of wandelen.
Soms zijn er maar kleine dingen gebleven; behoort wandelen of fietsen niet meer tot de mogelijkheden, maar misschien kun je genieten van mooie muziek of een goed boek. Of het zijn de vogels die je voert, waar je plezier aan beleeft

Ik heb over loslaten gesproken en hoe moeilijk dat kan zijn. Dat je soms door verdriet en pijn heen zover komt dat je de nieuwe situatie kan aanvaarden. Dat het tijd vraagt en dat we elkaar die tijd ook moeten gunnen. Over God heb ik nauwelijks gesproken, maar in al die situaties was Hij er wel. Dat mogen we geloven en hopelijk ook ervaren, soms, even.
Zoals Prediker zegt: Of je het nu goed hebt of in de zorgen zit, het gaat nooit buiten God om.

Zoals ook in het lied staat dat we aan het eind zullen zingen.

Ga met God en Hij zal met je zijn,
jou nabij op al je wegen
met zijn raad en troost en zegen.

Ga met God en Hij zal met je zijn:
bij gevaar, in bange tijden,
over jou zijn vleugels spreiden.
Ga met God en Hij zal met je zijn.

 

H. van Schalkwijk