Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging uit de oecumenische viering, 22 oktober

22 oktober 2017 | Bezinning Jozefgemeenschap, Jozefgemeenschap

Oecumenische viering, uitgaande van de Raad van Kerken Zuidhorn, in de Gastkerk

Eerste lezing: Deuteronomium 5: 6-9; 6:4-9
Evangelielezing: Matteüs 22: 15-22

Sommige woorden uit de bijbel zijn zeer bekend geworden en hebben mede de geschiedenis bepaald. Neem het woord dat Jezus tot Petrus spreekt: ‘Jij bent Petrus en op die steenrots zal ik mijn kerk bouwen.’ De bisschoppen van Rome hebben vanaf ongeveer de vierde eeuw deze woorden ingezet (terecht of niet terecht?) om alle macht in de kerk naar zich toe te trekken. En met succes!
Het woord dat we vandaag in het Evangelie horen: ‘Geef aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is’ heeft eveneens verstrekkende invloed gehad.

Dat komt mede door Maarten Luther die dit jaar uitgebreid is herdacht. Over ruim een week, op 31 oktober, is het 500 jaar terug dat hij zijn 95 stellingen aan de deur van de slotkapel te Wittenberg spijkerde! Dát wordt gezien als het begin van de Reformatie. Luther heeft veel losgemaakt onder zijn tijdgenoten. Soms ook meer dan hij zelf wilde.
Hij schreef het boekje ‘De vrijheid van een christenmens.’ Ieder mens staat persoonlijk voor God, zo had hij ervaren. Daar komt geen kerk, geen paus, geen bisschop en geen priester tussen! De schuld die de mens heeft tegenover God, wordt niet te niet gedaan door goede werken, niet door boete te doen en al helemaal niet door aflaten te kopen! God verzoent zich niet met de mens door bemiddeling van de kerk, maar alleen door het geloof, door Christus.
Dat Luther durfde ingaan tegen de machtige kerk van zijn dagen en zijn spreken over de vrijheid van de christen, inspireerde anderen. Zij begrepen eruit dat alle mensen gelijk zijn voor God. Dat was een revolutionaire gedachte in de standenmaatschappij van toen! Ze wilden daar ook maatschappelijke consequenties aan verbinden. Zo kwam het in 1524 in het Zuiden van Duitsland tot verzet van boeren tegen de zware belastingen, die hen werden opgelegd. Aanvankelijk waren de boeren bereid om over hun eisen te praten, maar toen er geweld tegen hen gebruikt werd, namen ook zij de wapens op en liep het uit de hand.

Luther

Luther, geschrokken door het geweld dat hij door zijn woorden had losgemaakt, schreef ‘Tegen de moordzuchtige en roofzuchtige boeren’. Daarbij beriep Luther zich op Jezus: ‘Onze meester Christus’, zo schrijft hij, ‘onderwierp ons met ons lichaam en ons bezit aan de keizer en aan het wereldlijk recht, als Hij zegt: ‘Geef aan de keizer wat van de keizer is!’ En in een van zijn preken, zegt hij: ‘Zoals God de keizer niet zijn heerschappij wil ontzeggen, zo moet dus ook de keizer de heerschappij van God onverlet laten.., want die twee rijken moeten gescheiden blijven en niet met elkaar vermengd raken, zodat aan God blijft wat van God is en aan de keizer wat van de keizer is.’
Dat Luther de Schrift zo uitlegde, is gezien de omstandigheden van toen, misschien begrijpelijk, maar het betekent wel dat het geloof beperkt werd tot de persoonlijke verhouding tot God en weinig of geen maatschappelijke betekenis kon hebben. Veel medestanders van Luther waren door deze stellingname teleurgesteld en keerden hem de rug toe.

In de eerste lezing hoorden we God, bij monde van Mozes, zeggen: ‘Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte, uit het slavenhuis geleid heeft.’ Dat is het begin van de Tien Geboden (ofwel de Tien Woorden). God is een God die bevrijdt.
God is een God die opkomt voor de verdrukten, zo leren we ook van de profeten. De profeten zijn niet bang om de machthebbers: koning Achab, koning David en anderen, de wacht aan te zeggen als zij onrechtvaardig zijn. Ook spreken de profeten harde woorden tot de rijken die de armen uitbuiten. Hoe is dit beeld van God, als een God die bevrijdt en opkomt voor de onderdrukten, te rijmen met die woorden: ‘Geef aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is?’

Deze woorden van Jezus zijn niet los te zien van de situatie waarin zij gezegd worden. Jezus is vanuit Galilea naar Jeruzalem getrokken om daar zijn boodschap te verkondigen. Het volk luistert graag naar hem: hij spreekt zo anders dan de Schriftgeleerden!
De Sadduceeën, de farizeeën en de Herodianen, zij zien in Jezus een gevaar. Hij ondermijnt met zijn eigenzinnige interpretatie van de Wet van Mozes hun gezag en hun positie. Ze willen hem kwijt!
De farizeeën sturen hun leerlingen op hem af, samen met de Herodianen. Ze vinden Jezus in de voorhof van de tempel, waar hij de mensen gelijkenissen vertelt over het Rijk van God. Ze vragen hem: ‘Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen?’
Een vreemde vraag! Want of je wil of niet: iedereen moet belasting betalen (zoals dat in ons land ook het geval is). De Romeinen, zo weten we uit verslagen van die tijd, legden zware heffingen op en ze waren bepaald ook niet zachtzinnig bij het ophalen van de belastingen. De houding die de mensen tegenover de Romeinse bezetter aannamen, verschilde. De Sadduceeën (priesters en aristocraten) werkten met de Romeinen samen, want zij hadden baat bij de status quo, bij rust en orde. De zeloten haatten de Romeinen en kozen voor de weg van het geweld. En dan waren er nog de Farizeeën die niets van de Romeinen moesten hebben, maar die zich niet met geweld verzetten. De massa volgde de Farizeeën daarin.

Wanneer Jezus nu zou zeggen: ‘Ja, het is toegestaan om de keizer belasting te betalen,’ dan zou het volk teleurgesteld zijn. Deze Jezus naar wie ze met zoveel spanning hadden geluisterd, die zou dan voor hen hebben afgedaan als een lafaard: óf iemand die de waarheid niet durft te zeggen óf nog erger: iemand die samenwerkt met de Romeinen.
Zegt hij: ‘Nee, het is níet toegestaan de keizer belasting te betalen,’ dan zullen zijn tegenstanders het doorgeven aan de autoriteiten: ‘Deze man spoort de mensen ertoe aan om geen belasting te betalen.’ Voldoende reden om hem op te pakken en te veroordelen! Hoeveel opstanden zijn er in Galilea – waar deze man vandaan komt – al niet geweest? Die begonnen steeds na een oproep om niet langer belasting te betalen.

‘Laat mij een belastingmunt zien’, zegt Jezus. De Romeinse denarius was een munt met de afbeelding van de keizer erop. Deze munten waren wel in Jeruzalem, maar bv. niet in Galilea in omloop. In Galilea werden er geen munten geslagen met een afbeelding erop, want staat er niet in de Tien Woorden: ‘U zult geen beeld maken van wat er boven in de hemel is, van wat beneden op de aarde is en evenmin van wat in de wateren onder de aarde is’?
Géén beelden!
In de geschiedenis van het christendom is men het daar soms hevig oneens over geweest. We hoeven maar aan de beeldenstorm te denken in de begintijd van de Reformatie! Ik weet niet zeker of de kerken dat gebod nu anders verstaan of dat ze het ‘niet van toepassing’ hebben verklaard..
In de Islam is het nog steeds geldig. Daar heb je geen schilderkunst, beeldhouwkunst ed., wel prachtige kalligrafeerkunst. Sommige moslims willen niet op de foto, want er staat immers geschreven: u zult geen beelden maken?

Terug naar de tempel, waar Jezus in gesprek is met zijn tegenstanders. De vraag die Jezus gesteld werd: ‘Is het geoorloofd om de keizer belasting te betalen?’ is niet alleen een politieke vraag, maar ook een religieuze vraag. Politiek en geloof waren geen gescheiden werelden. Vrome Joden droegen geen Romeinse munten bij zich, munten waarop de keizer was afgebeeld. Jezus heeft dan ook zo’n munt niet bij zich. Zijn tegenstanders wel..
’Van wie is die afbeelding en dat opschrift?’ vraagt Jezus hen. Dan moeten ze wel zeggen: ‘van de keizer.’ Op de munt staat de keizer afgebeeld, getooid met de lauwerkrans als teken van zijn goddelijkheid. Zo’n munt lastert de God van Israël die heeft gezegd: ’U zult geen andere goden hebben naast mij.’ De tegenstanders van Jezus hebben zo’n munt met een afbeelding van de vergoddelijkte keizer en daarmee blijkt hun huichelachtigheid. Het gebruik van die munten vinden ze blijkbaar niet zondig, maar ze willen Jezus er wel toe brengen om te zeggen dat belasting betalen aan de keizer zondig is?
Jezus besluit dan met de woorden waar het vandaag om draait: ‘Geef aan de keizer wat van de keizer is.’ Alleen staat het er in het Grieks net even anders. ‘Geef terug aan de keizer wat van de keizer is.’ Geef aan de keizer dat vervloekte zilver terug dat naar Romeins recht zijn eigendom is.

“Geef (terug) aan de keizer wat van de keizer is” (Goudkantoor in Groningen)

Jezus heeft enige dagen daarvoor de tafeltjes van de geldwisselaars in de tempel omgegooid. Het geld met de afbeelding van de keizer mocht je niet gebruiken om een paar duiven of een lam te kopen dat je wilde offeren. Dat moest je omwisselen voor tempelgeld (en dat gaf de tempel mooi extra inkomsten). Toen Jezus de tafeltjes omgooide, rolde al die munten met de afbeelding van de goddelijke keizer over de grond.
Dit en zijn woorden van vandaag maken duidelijk dat Jezus niet vraagt om zich te onderwerpen aan de keizer. De mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. De mens behoort aan God toe en dient te leven naar Gods geboden, niet naar die van machthebbers die mensen onderdrukken. Jezus koos er niet voor met geweld zich te verzetten tegen de Romeinse bezetter; hij koos er evenmin voor om zich afzijdig te houden.
Voor de mensen om hem heen is het duidelijk dat Jezus stelling neemt tegen het betalen van belasting aan de keizer, maar hij kiest wel met zorg zijn woorden, om niet in de val te lopen die zijn tegenstanders voor hem hebben opgezet. Zoals hij tot zijn leerlingen zei, toen hij hen op pad stuurde: ‘wees slim als de slangen en simpel als de duiven.’

Dus anders dan eeuwenlang gedacht is, zegt Jezus niet dat we onderworpen zijn aan de keizer, aan de overheid aan de ene kant en anderzijds God de eer moeten geven die Hem toekomt.
Jezus zegt niet dat die twee werelden, die van de overheid en van God, gescheiden moeten blijven en niet vermengd mogen worden.
Hoe zou dat kunnen? Hoorden we in de eerste lezing niet de woorden die tot het hart van Israëls geloof behoren: ‘Luister Israël! De Eeuwige is onze God, de Eeuwige is de Enige. U zult de Eeuwige, uw God liefhebben met geheel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten.’
Heel de mens met alles wat hij is en met alles wat hij heeft, behoort aan God. Heel de wereld is van God.

Geloof behoort tot het privé-domein, vinden veel mensen, zowel gelovig als niet-gelovig, maar dat klopt niet: het geloof in God en zijn geboden (zijn woorden ten leven) zijn bedoeld voor héél het leven, in al zijn facetten. Het geloof heeft betrekking op de persoonlijke verhouding met God. Dat lijkt me de bron, maar het werkt door op allerlei terreinen; bv in het onderwijs: welke waarden geef je door?; en als het gaat om medisch-ethische kwesties, welke keuzes maak je?; op het terrein van vrede, vluchtelingen, milieu en ga zo maar door. Niet dat we als gelovigen altijd een andere visie hebben, maar soms wel en dat mag dan ook gezegd worden. Over het hoe en wat kan het beste in een gesprek met elkaar verder worden gesproken.
Ik wil eindigen met een tekst van Dorothé Sölle over het geloof (beetje bewerkt), over wat het geloof kan betekenen voor onze wereld en onze toekomst.

Sölle

Het geloof is als een kind dat altijd bezig is
om van iets ouds
weer iets nieuws te maken.
Ze gelooft nooit in het kwaad
en mikt altijd op het goede.
Het geloof boort nieuwe bronnen aan,
waar de bodem al lang lijkt uitgeput.
Ze zal nooit zeggen:
het is immers altijd zo geweest.
Ze blijft gespitst op nieuwe kansen voor de toekomst
Ze weet van de slang,
maar wedt op de duif.
De liefde is haar oorsprong,
de hoop haar toekomst.
Geloof schrijft niets of niemand af,
maar steekt haar omgeving aan
met geluk en mededogen.
Ze houdt overal een belofte open,
die haar door God is ingefluisterd:
Zie, Ik maak alles nieuw –
begin er maar vast mee..

H. van Schalkwijk