Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging zondag 1 juli, over Mozes

1 juli 2018 | Bezinning Jozefgemeenschap, Jozefgemeenschap

Eerste lezing: Exodus 1:12-22
Tweede lezing: Exodus 2: 1-10

Eerst is Mozes aan het woord:
‘Het is lang geleden dat ik in het paleis van de farao opgroeide, maar naarmate een mens ouder wordt, komen de beelden uit je jeugd, die allang vergeten leken, weer terug en staan ze je weer helder voor ogen. Zo vergaat het mij tenminste.

Hoe ik daar terecht kwam, daar heb ik geen herinneringen aan, ik was veel te jong, maar het is me zo vaak verteld, dat het voelt alsof het mijn eigen herinneringen zijn.
Mijn moeder die me in dat mandje legde en het mandje liet wegdrijven op het water van de Nijl. En ik in dat mandje zonder de warmte van mijn moeder, zonder haar stem die liedjes voor me zong. Geen wonder dat ik begon te huilen.
En dan plotseling, het gezicht van een vreemde vrouw, de prinses die mij optilde uit dat mandje. Andere stemmen en dan ook de stem die ik kende, die van mijn grote zus Mirjam die zei: ‘Zal ik iemand zoeken die het kind kan voeden?’ en die mij terugbracht naar mijn moeder, naar de plek waar ik me geborgen en veilig voelde.
Een paar jaar gingen voorbij, maar toen brak toch echt het moment aan dat ik, zoals afgesproken met de prinses, naar het paleis werd gebracht. Van toen af was de prinses, Chione, mijn moeder.

Het was vreemd, onwennig. Als ik daaraan denk, komt het gevoel van toen weer terug. Ik was gewend aan het huisje waar ik woonde met mijn ouders, Mirjam en Aäron en dan nu dat geweldig grote paleis! Het eten was anders, de kleren die de mensen droegen waren anders, de taal was anders, de mensen waren anders, alles was anders!
Maar ik was een kind en kinderen passen zich snel aan. Alleen ’s avonds als ik alleen was, dan dacht ik aan mijn moeder, aan Mirjam, aan Aäron en miste ik ze vreselijk. Toch sleet dat van lieverlee tot alleen een vaag gevoel van heimwee me een enkele keer nog overviel.

Chione, mijn adoptiemoeder, was goed voor me. Ik kreeg een goede opvoeding. Ik leerde lezen en schrijven, ik leerde hoe je je als prins had te gedragen. Ik ging met de farao mee als hij zijn religieuze plichten vervulde bij de grote feesten van Ra en Horus. Toen ik ouder werd, was ik aanwezig wanneer er recht gesproken werd. Het was de bedoeling dat ik, eenmaal volwassen, een belangrijke functie zou vervullen in het rijk.
Ik groeide op samen met Ramsis, de zoon van Chione. Als kinderen speelden we samen, wedijverden we met elkaar: wie was de sterkste, de snelste, de slimste? We kregen samen les. We waren als broers.
Dat veranderde toen we ouder werden. Ik had een handicap, in zoverre dat ik niet gemakkelijk praatte, niet zoals anderen, niet zoals Ramsis die vanzelf de juiste woorden leek te vinden. Daarom trok ik mij vaker terug. Eerst zei Ramsis nog wel: ‘Ga mee, Mozes!’ maar later liet hij het zo.
Meer en meer voelde ik me alleen en niet langer op mijn plek in dat grote paleis met al zijn mensen en zo groeide het gevoel van eenzaamheid.

Op een dag, hoe oud zou ik geweest zijn, twintig (?) joeg de onrust die me de laatste tijd steeds vaker overviel het paleis uit en zwierf ik door de velden. En zo kwam ik per ongeluk – of had ik het toch gezocht? – bij de Hebreeërs terecht. Ik wist dat ik een Hebreeër was van geboorte, maar doordat Chione, de prinses, mij had aangenomen als haar zoon, was ik nu een Egyptenaar. Het was een schok om die mensen te zien, paupers, slaven, mensen die warm en bezweet stenen maakten van klei en stro. In de dagen daarna zag ik steeds die beelden voor me. Ik wilde het vergeten. Dat lukte niet echt.
En zo voerden mijn voeten me op een dag toch weer naar het gebied van de Hebreeërs.
Bij wie hoorde ik eigenlijk: bij de Egyptenaren, een volk met een hoge beschaving, een volk dat het schrift had ontwikkeld, dat geweldige bouwwerken liet bouwen: piramides, tempels en paleizen? Of hoorde ik bij dat volk dat werd afgebeuld, door die hoog ontwikkelde Egyptenaren?
Het maakte me onrustig. Ik vermeed mijn moeder Chione, zij kende mij te goed. Zij wou willen weten wat er was, maar hoe kon ik haar vertellen wat ik zelf nog niet wist?

Een tijd later droomde ik. Ik was een kind, en een stem zong een liedje waarvan ik de woorden niet verstond, maar het klonk vertrouwd. Ik voelde armen om me heen, al zag ik niet wie dat was. Toen ik wakker werd, wist ik dat ik van mijn moeder, mijn échte moeder, had gedroomd.
Ik kon niet anders dan weer naar de Hebreeërs toegaan. Ik vond het moeilijk om te zien hoe ze werden opgejaagd door de opzichters en toen een Egyptenaar een van hen bijna doodranselde, voelde ik mijn bloed koken. Ik keek om mij heen of niemand mij zag en toen sloeg ik de Egyptische opzichter dood en begroef hem in het zand. Het was duidelijk: ik had mijn keus gemaakt: ik hoorde bij dit volk, bij de Hebreeërs.

Ja, dat kon ik wel denken, maar voor anderen was dat niet zo duidelijk. Toen twee broeders van mijn volk ruzie maakten en ik tussenbeide wilde komen, keerden ze zich samen tegen mij: ‘Wil je ons ook doodslaan zoals je die Egyptenaar hebt doodgeslagen?’
Ze hadden het gezien! Zouden ze me verraden? Dan zou de farao geen genade kennen en mij doden. Die dag vluchtte ik weg uit Egypte. Ik hoorde niet meer bij de Egyptenaren, maar ik hoefde er ook niet op te rekenen dat de Hebreeërs mij als één van hen zagen. Voor hen was ik een Egyptenaar.
Verdwaald tussen twee werelden, vluchtte ik de woestijn in, naar Midjan.‘

Dit is het verhaal van Mozes over zijn leven, maar zijn leven is niet los te zien van de samenleving zoals die toen was in Egypte. De situatie van daar en toen is voor ons goed herkenbaar. In de tijd dat er hongersnood was, trokken de zonen van Jacob naar Egypte. Daar was voedsel, daar was leven, daar was er toekomst.
Zo trekken nu mensen naar Europa in de hoop daar leven, daar toekomst te vinden. Soms zijn het oorlog en geweld die hen hebben verdreven uit hun dorp, hun stad, uit de streek waar ze woonden.
Soms is het de uitzichtloze situatie van armoede en werkloosheid die hen de gevaarlijke reis naar het verre Europa doet ondernemen. De eerste vluchtelingen zijn welkom, maar als het er steeds meer worden, dan voelen de inwoners van het land zich bedreigd. Er komen té veel vreemdelingen. Zo voelt men dat vandaag de dag – de migratiecrisis is zeer actueel- en zo voelde men dat in Egypte.

In zo’n geval moeten er maatregelen worden genomen. De farao besluit de Israëlieten te dwingen tot zware arbeid: werk in steenbakkerijen en op het land.
In onze tijd wordt er ook gezocht naar maatregelen om het aantal vreemdelingen in Europa te beperken. Het ene land wil niemand toelaten en bouwt een stevig hek; het andere land zet mensen die het land binnenkomen vast in een opvang- of detentiecentrum; het derde land maakt hulp aan vluchtelingen strafbaar enz.

En hoe was dat in Egypte? Waren de maatregelen daar afdoende? Nee, het volk Israël blijft zich maar uitbreiden. Dat vraagt dan ook om nog drastischer maatregelen; de farao besluit de Hebreeuwse vroedvrouwen Sifra en Pua in te schakelen. Zij krijgen de opdracht om wanneer er een jongetje wordt geboren, dit te doden. De meisjes mogen ze in leven laten. Sifra en Pua vrezen God, zo hoorden we, en ze geven dan ook geen gehoor aan het bevel van de farao. Ze zijn God meer gehoorzaam dan de farao.
Als er in een samenleving maatregelen worden verordend die inhumaan zijn, dan kan je voor de keus gesteld worden: werk ik daaraan mee? Of niet?
Er zijn genoeg argumenten te vinden om dat voor jezelf aanvaardbaar te maken: ‘de hoge heren zullen wel weten wat goed is; als ik het niet doe, dan doet een ander het wel; het is gewoon mijn werk.’
Gelukkig zijn er mensen als Sifra en Pua die er níet aan meewerken, maar kiezen voor menselijkheid.  Zo zijn er in elke samenleving mensen die in verzet komen als anderen onmenselijk worden behandeld.
Het betekent nog niet het einde van de onderdrukking, helaas. De farao beveelt al zijn onderdanen om elk Hebreeuws jongetje dat geboren wordt, in de Nijl te gooien. De weg naar bevrijding is vaak een stuk langer dan gehoopt.

De situatie in de samenleving is van invloed op het leven van het individu. Zo ook bij Mozes. Hij ontkomt aan het lot van veel Hebreeuwse jongetjes: te verdrinken in de Nijl. Hij wordt gevonden door de Egyptische prinses Chione en geadopteerd. Zijn toekomst ziet er veelbelovend uit, een belangrijke functie in het Egyptische bestuur lijkt voor hem weggelegd.
Maar wanneer hij ouder wordt, dringt de vraag zich aan hem op: bij wie hoor ik eigenlijk? Bij de Egyptenaren of bij de Hebreeërs?
Mensen die met de vraag: ‘bij wie hoor ik eigenlijk?’ worstelen, kom je in onze tijd ook tegen. Dat kan gaan om kinderen die geadopteerd zijn, zoals Mozes. Horen ze bij hun adoptie-ouders? Of bij hun biologische ouders? Wat is hun cultuur? De Nederlandse of de cultuur van het land waar ze geboren zijn?
‘Bij wie hoor ik?’ is ook een vraag die je kunt tegenkomen bij mensen met een migratie-achtergrond. Zijn ze in de eerste plaats Nederlander? Of zijn ze toch eerst Marokkaan, Turk, Engelsman of noem maar een buitenland op, en dan pas Nederlander? Met name voor jonge mensen kan het lastig zijn om te weten ‘bij wie hoor ik nu?’ Soms leidt het tot een crisis, zoals bij Mozes die een Egyptenaar doodsloeg en moest vluchten. Het zijn vooral jongeren die klem komen te zitten tussen twee culturen.

Het is niet het einde van het verhaal, want God heeft nog een vraag aan Mozes. In het verhaal over de geboorte van Mozes en hoe hij wordt gered, hoe hij opgroeit, wordt God niet genoemd.
Dat wil niet zeggen dat dit alles buiten God omgaat. Het gebeurt wel vaker dat we niet in de gaten hebben dat God aanwezig is en werkzaam is. Dat doet Hij soms door mensen, zoals de vrouwen die het leven van Mozes hebben gered: de moeder van Mozes door haar vindingrijkheid, Mirjam die over haar broertje waakt en op het juiste moment de prinses aan spreekt. De dochter van de farao die haar hart laat spreken en het bevel van haar vader negeert. Pas achteraf kunnen we zeggen: ‘Dat kan niet toevallig geweest zijn. God was hierbij betrokken.’

Het lijkt soms mis te gaan, heel erg mis: zoals Mozes die moet vluchten naar Midian, maar daar zal blijken dat God niet ver weg is. Daar hoort u volgende week meer over.

Voor vandaag rest alleen de vraag: heeft u ook weleens, achteraf, gedacht: hier was God misschien wel op de een of andere manier aanwezig?
Om me te behoeden, om me te troosten, om me kracht te geven, om me de juiste richting te wijzen, om me een vraag te stellen? 

H. van Schalkwijk