Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging zondag 11 maart, over verschillende visies

11 maart 2018 | Bezinning Jozefgemeenschap, Jozefgemeenschap

Eerste lezing: 2 Korinthiërs 5: 17-21
Tweede lezing: Johannes 3: 14-21

 

Vierde zondag van de Veertigdagentijd

Vandaag kwam de lezing uit het Evangelie van Johannes. We hebben een leesrooster van drie jaar.
In het A-jaar lezen we uit het Evangelie van Mattheüs.
Dit jaar is het het B-jaar en lezen we uit het Evangelie van Marcus.
In het C-jaar is het Evangelie van Lucas aan de beurt.
Daarna begint de cyclus weer opnieuw.
En het Evangelie van Johannes dan? Dat heeft geen eigen jaar, maar wordt verdeeld over de andere jaren. Waarom dat zo is, zou ik u niet kunnen zeggen.
U zou kunnen denken dat het Evangelie van Johannes niet zo belangrijk is? Maar als u dat denkt, heeft u het toch echt mis. In de kerk is het Johannesevangelie juist héél belangrijk geweest. Volgens een eeuwenlange traditie was de schrijver van dit Evangelie één van de twaalf apostelen. Men meende dat het degene was, die werd aangeduid als ‘de leerling die Jezus liefhad.’ Die leerling moest toch het beste weten wie Jezus was, wat Hij wilde, wat het geheim van zijn persoon en van zijn leven was?
Later kwam men tot de overtuiging dat het niet vaststond wie dit Evangelie eigenlijk geschreven had.
Hoe het ook zij, de kerk heeft altijd veel waarde gehecht aan het Evangelie van Johannes en dit heeft het geloof van de kerk dan ook diepgaand beïnvloed.

Het Evangelie van Johannes begint aldus:

Johannes

In het begin was het Woord.
Het Woord was bij God en het Woord was God.
Het was in het begin bij God.
Alles is erdoor ontstaan
en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.
In het Woord was leven en
het leven was het licht voor de mensen.
Het licht schijnt in de duisternis
en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.

Hoe we deze geheimzinnige woorden precies moeten begrijpen?
De kerk heeft het zo verstaan dat Jezus er al was, bij God was, vóór de wereld werd geschapen. Pre-existent heet dat in theologentaal. Vanuit de hemel is Hij later neergedaald in onze wereld.
Je kunt het vergelijken met wat de Joden geloofden over de Torah, de vijf boeken van Mozes. De Torah is voor het Joodse volk van wezenlijk belang, is fundamenteel voor hun geloof.
De Torah ís het fundament waarop de wereld is gebouwd. Zo hebben de Joden dat ervaren en daarom konden ze zeggen dat de Torah al bestond bij God vóór de wereld werd geschapen.
– Als we nu naar onze eigen tijd kijken, dan lijkt de wereld eerder op geld gebouwd. Dat lijkt – of moet ik zeggen – dat ís het meest fundamentele. We leven naar de wetten van het geld (niet de mensen individueel misschien, maar het is wel het systeem waarin we leven en waarin we vaak ongemerkt worden meegenomen). –
Het Joodse volk meende: ‘Als we leven naar de Torah, naar de geboden van God, dan zal het leven op aarde goed zijn, dan is er toekomst voor de mensheid.’
In onze tijd is het: ‘Als de economie maar groeit…’
Voor Johannes was het Jezus die het verschil maakte tussen licht en duisternis, tussen leven en geen leven hebben. Daarom plaatst hij Jezus vóór al het andere, voor de schepping van de wereld en bij God. En zo heeft Jezus in het geloof van de kerk zijn plaats gekregen als de pre-existente Zoon van God.

Mattheüs

De andere Evangelisten spreken daar niet over. Jezus wordt wel Zoon van God genoemd, dat wel, maar het gaat niet over zijn pre-existentie en de woorden ‘Zoon van God’ hebben bij hen toch een wat andere betekenis.
Jezus wordt Zoon van God genoemd, maar daarmee wordt nog niet gezegd dat Jezus zelf God is. Bij de Joden werd de koning soms Zoon van God genoemd en ook het volk Israël wordt door God soms ‘mijn Zoon’ genoemd. Dat wil niet zeggen dat de koning of dat Israël goddelijk zijn!
Mattheüs, Marcus en Lucas tekenen Jezus als mens, wel een mens met bijzondere krachten, een mens die nauw verbonden is met God, maar toch een mens. Iemand die in de hof van Gethsemané als Hij ziet waar het op uit gaat lopen, zeer angstig en bedroefd wordt. Lucas vertelt hoe doodsangst Jezus overvalt en hoe Hij bloed en tranen zweet, zo angstig is Hij.
Marcus en Mattheüs vertellen hoe Jezus wanneer Hij aan het kruis geslagen is, roept: ‘God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’
Bij Johannes echter is Jezus de mens die weet wat gebeuren gaat en die zonder angst, waardig, koninklijk zijn weg gaat.
Zo zijn er in de bijbel verschillende visies op wie Jezus is, waarbij de Evangelisten Mattheüs, Marcus en Lucas meer nadruk leggen op het menszijn van Jezus en Johannes meer op het goddelijke in de persoon van Jezus.

De kerk heeft met name de visie van Johannes als uitgangspunt genomen en van daaruit zijn de geloofsbelijdenissen en dogma’s over Jezus uitgewerkt. In de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel staat het zo: God uit God, licht uit licht, ware God uit de ware God, geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader en door wie alles geschapen is.
Het is wel wonderlijk te bedenken dat Jezus die een Jood was en geheel geworteld was in de traditie van zijn volk gezien wordt als God, terwijl de geloofsbelijdenis van de Joden is: ‘Luister, Israël, de Heer uw God is één.’
Voor een Jood was het ondenkbaar dat er naast God nog een andere God kon zijn of dat een mens aan God gelijk kon zijn.

Ik wil daar nu niet verder op ingaan, maar ik wilde duidelijk maken dat er in het Nieuwe Testament verschillende visies zijn op wie Jezus is. Zo zijn er ook verschillende visies op de betekenis van het leven van Jezus en vooral op de betekenis van zijn dood.

Marcus

De visie die de apostel Paulus geeft, is dominant geworden. Paulus schrijft in zijn brieven aan de mensen die christen zijn geworden wat het betekent christen te zijn. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. Één mens, Jezus, is voor allen gestorven. God heeft Hem die de zonde niet kende, tot zonde gemaakt. Hij heeft alle zonden op Jezus gelegd, ze Hem aangerekend, opdat wij rechtvaardig voor God zouden zijn. God heeft de wereld met zich verzoend, door Christus. Hij is in onze plaats gestorven. Hij heeft ons vrijgekocht door zijn bloed. Met verschillende beelden probeert Paulus dit aan zijn lezers duidelijk te maken. En deze visie van Paulus: dat wij mensen gered worden doordat Jezus voor ons gestorven is, is in de loop van de geschiedenis verder uitgewerkt en heeft ons geloven en onze riten gevormd.
Denk maar aan het offerkarakter van de eucharistie.

Als we nu kijken naar wat Marcus, Mattheüs en Lucas zeggen over de betekenis van Jezus’ dood, dan komt er een ander beeld naar voren. Om gered te worden, om Gods toorn te ontgaan, om in te gaan in het koninkrijk van God, om deel te hebben aan het eeuwig leven – al die dingen liggen dicht bij elkaar – wordt er niet over de dood van Jezus gesproken. Wat nodig is, is om de geboden van God na te leven.
Als een aanzienlijk man in het Evangelie van Lucas aan Jezus vraagt: ‘Wat moet ik doen om deel te hebben aan het eeuwige leven?’ dan antwoordt Jezus: ‘Onderhoudt de geboden.’ En als de man dan antwoordt: ‘Dat heb ik van jongs af aan gedaan’ krijgt hij van Jezus te horen: ‘Dan rest je nog één ding: verkoop al wat je bezit, deel het uit aan de armen en kom dan terug om Mij te volgen.’
Ook Mattheüs maakt duidelijk dat één ding nodig is om het rijk van God binnen te gaan: de wil van God doen, de wet vervullen.
‘Niet ieder die Heer, Heer tegen mij zegt, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan, maar alleen hij die de wil doet van mijn Vader in de hemel.’ Wanneer de Zoon des mensen op de dag van het laatste oordeel de bokken van de schapen scheidt, dan is het enige criterium de vraag of ze hebben omgezien naar de armen, de zieken en de vreemdelingen.

Lucas

Bij Johannes ligt het, zoals te verwachten is, weer wat anders. Om gered te worden, om niet verloren te gaan, moet je geloven dat Jezus de Zoon van God is. Hij is het die onze wereld komt bevrijden. Hij is het licht in onze duisternis en Hij is sterker gebleken dan de duisternis. Deze Jezus is de Zoon van God die uit de hemel is neergedaald. Wij hoorden het in de lezing van vandaag:
‘Want God had de wereld zo lief, dat Hij zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat iedereen die in hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.’
Voor Johannes is het niet zo dat Jezus moest sterven opdat daardoor voor de zonden betaald zou zijn. Voor Johannes is Jezus’ dood geen straf die Hij draagt in onze plaats. Jezus’ dood is voor hem geen vernedering, maar veeleer een verheerlijking, want door zijn dood keert Jezus terug naar God, naar de hemel waar Hij vandaan komt. Daarom kan Johannes,
verwijzend naar Jezus’ dood aan het kruis, zeggen: ‘De Mensenzoon moet hoog verheven worden zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog hief, opdat iedereen die in Hem gelooft, eeuwig leven heeft.’

Zo staan er in het Nieuwe Testament verschillende visies naast elkaar over de betekenis van Jezus, van zijn leven en dood.
Ook in onze tijd hebben mensen heel verschillende gedachten over geloven, over wat ertoe doet, over wat Jezus betekent voor mensen van nu. Dat was in het begin van het christendom dus ook zo. Het kan lastig zijn, verwarrend zijn, maar we hebben het ermee te doen.
Het roept ook vragen op. Kun jezelf maar kiezen wat jou het beste past? Is dat niet te gemakkelijk? Dat risico is er zeker, maar wie zijn geloof serieus neemt, zal niet de gemakkelijkste weg kiezen, maar de dingen overwegen, in zich om laten gaan. Je zal je er juist in verdiepen, met andere mensen erover spreken, je geloof toetsen aan het geloof van de kerk en het geloof van anderen. Zo kan je het geloof je meer eigen maken, tot iets wat echt een plek heeft in jouw leven.

Verschillende visies die naast elkaar bestaan, dat geeft ook ruimte. Bepaalde verhalen, beelden die je niets meer zeggen, waar je je niets meer bij kunt voorstellen, omdat ze zijn ontstaan in een andere tijd, met een ander wereldbeeld, een ander mens- en Godsbeeld, daar hoef je niets meer mee. Andere voorstellingen die je wel aanspreken en die je verder helpen op je weg, die neem je mee.
De kerk als geheel dient de traditie naar mijn mening wel in zijn geheel mee te dragen door de tijd, opdat het Evangelie niet te mager wordt, te eenzijdig. De kerk als geheel dient steeds weer op zoek te gaan naar wat de betekenis is van wat is overgeleverd voor onze tijd, maar de individuele gelovige hoeft die last niet te dragen. Voor hem, haar is het van belang dat het geloof een steun is, troost biedt, houvast geeft, uitdaagt, oproept om zijn/ haar verantwoordelijkheid te nemen voor onze wereld.

De verschillende visies dagen je uit om zelf na te denken.
En het is niet aan de kerk, niet aan mij, maar het is aan ú
om antwoord te geven op de vragen die hierdoor worden opgeroepen:
Wie is Jezus voor mij?
Wat betekent Hij voor mijn manier van leven, voor mijn geloof?
Hebben zijn leven en dood betekenis voor mij?
En welke betekenis dan?

 

H. van Schalkwijk