Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging zondag 11 november, over Franciscus

11 november 2018 | Bezinning Jozefgemeenschap, Jozefgemeenschap

Eerste lezing: 1 Koningen 17: 10-16
Tweede lezing: Marcus 12: 38-44

Zowel in het Evangelie als in het verhaal uit het boek Koningen komt een weduwe voor. Weduwes behoorden in het Israël van die tijd tot degenen die vaak in armoede leefden. Niet voor niets roepen de profeten keer op keer het volk op om zorg
te hebben voor de weduwe, de wees en de vreemdeling.
De weduwe van Sarefat zegt tot de profeet Elia: ‘Ik heb alleen nog maar een handvol meel in de pot en een beetje olie in de kruik. Ik sprokkel nu wat hout om voor mij en mijn zoon voor het laatst eten klaar te maken; daarna wacht ons de dood.’
De arme weduwe die geld in de offerkist gooit, gooit er twee muntjes in. Het zijn de kleinste muntjes die toen in omloop waren. Dat is alles wat ze heeft om van te leven. Beide vrouwen verkeren in een schijnbaar hopeloze situatie.

Als Elia tot de weduwe zegt een brood voor hem te bakken van het laatste meel en de laatste olie, dan doet ze dat. Ze geeft het laatste wat ze heeft. Waarom heeft ze dat gedaan? Waarom heeft ze niet gezegd: ‘Sorry, maar ik kan het niet missen?’ Heeft ze gemerkt dat deze man een profeet was, een man van God? Had ze vertrouwen in hem? Of in de God over wie hij sprak? Hoe dat ook zij, ze heeft een brood gebakken voor Elia. Gelukkig blijken zijn woorden waar te zijn: het meel in de pot raakt niet op en de kruik met olie raakt niet leeg. Er is genoeg voor Elia, voor haarzelf en voor haar zoon, zolang de droogte, en dus ook de hongersnood, duurt.

Soms vraag je je af: wat kan ik doen? Er zijn zó veel problemen, zulke grote problemen, wat kan ik daar nu aan bijdragen?
Deze vrouw uit Sarefat, is een arme weduwe, een buitenlandse ook nog, dus in de ogen van de mensen van Israël niet in tel. Toch heeft zíj ervoor gezorgd dat Elia in leven bleef. Zo kon de profeet na de crisis zijn werk voortzetten en het volk Israël dat van God was afgedwaald en andere goden naliep, weer terug brengen naar de Eeuwige, de God van Israël.
Dit verhaal vertelt ons dat je, ongemerkt soms, een kleine, onmisbare schakel bent in het geheel.
En dan die andere weduwe. Ook zij heeft geen naam. Zij is arm, nauwelijks opgemerkt, behalve dan door Jezus. Hij kijkt anders dan de meeste mensen. Hij ziet wat anderen ontgaat: dat zij alles wat zij heeft om van te leven, geeft aan God. Ze vertrouwt erop dat God er wel voor zal zorgen dat ze morgen ook te eten heeft.

Franciscus was ook zo iemand die alles wat hij had aan God gaf. Zijn vader was een welvarend lakenkoopman en Franciscus kwam in zijn jonge jaren dan ook niets tekort. Er wordt over hem verteld dat hij van feesten hield, van lekker eten en mooie kleren. Hij genoot van het leven.

Franciscus van Assisi

Op zekere dag ontmoette Franciscus een melaatse. Het leven was hard als je melaats was. Je werd uit de gemeenschap gestoten, omdat men bang was voor besmetting. Je kon niet langer bij je familie wonen. De ziekte veroorzaakt misvormingen aan je handen en voeten, aan je gezicht. Een vreselijke ziekte. Franciscus is er door de ontmoeting met de melaatse diep geschokt. Deze ontmoeting verandert zijn leven. Van dat moment af wil hij zijn leven aan God wijden. De mensen uit Assisi begrijpen er niets van en maken Franciscus belachelijk. Zijn vader begrijpt het ook niet en hij probeert zijn zoon op verschillende manieren te dwingen om met die flauwekul te stoppen. Hij dient een klacht in bij de bisschop: dat zijn zoon geld van hem gestolen heeft. De bisschop laat Franciscus komen en zegt hem het geld aan zijn vader terug te geven. Ik lees nu een stukje uit de levensbeschrijving van Franciscus:
Franciscus haalde het geld, bracht het bij de bisschop en zei: ‘Heer, hier is het geld van mijn vader. Maar niet alleen het geld wil ik hem teruggeven, ik geef hem mijn kleren erbij.’ Onmiddellijk kleedde hij zich uit, gooide zijn kleren op de grond en gaf ze zo aan zijn vader terug. Zelfs zijn onderbroek wilde hij niet houden. Zo stond hij naakt voor alle mensen die waren komen kijken. Hij zei: ‘Van nu af kan ik in volle vrijheid zeggen Onze Vader die in de hemel zijt, want Pietro di Bernardone is mijn vader niet meer.’ Toen stond de bisschop op, sloeg zijn armen om hem heen en hulde hem in zijn mantel.’

Franciscus koos voor armoede. Hij gaf gehoor aan de woorden van Jezus: ‘Verkoop al wat je bezit en geef het aan de armen.’
In de tijd van Franciscus was de kerk erg rijk. Veel bisschoppen en andere hoge kerkelijke functionarissen leefden in paleizen en omringden zich met luxe. Hoe was dat te rijmen met de woorden van Jezus? Bovendien leefde het merendeel van de mensen in grote armoede en dan die pracht en praal van de kerk?
Franciscus wilde in armoede leven. Aanvankelijk bespotten de mensen hem, maar later waren ze toch erg onder de indruk van zijn manier van leven. Franciscus was radicaal in zijn keuze voor armoede. Jezus had, toen hij zijn leerlingen op pad stuurde, gezegd: ‘Neem niets mee voor onderweg, geen staf, geen reiszak, geen brood, geen twee hemden.’ Daar hield Franciscus zich aan: geen bezit!

Er zijn verschillende kloosterordes, maar voor elke kloosterling geldt dat hij drie geloftes moet afleggen: de gelofte van gehoorzaamheid, van kuisheid en van armoede. De gelofte van armoede betekende dat je als monnik geen persoonlijke bezittingen mocht hebben, maar de kloosters waren vaak rijk. Hoe dat kan? Als gemeenschap mochten de kloosters wel bezit hebben en de meeste kloosters hadden dan ook veel bezittingen. Dat wilde Franciscus beslist niet. Wat dat betekent? Nog een gedeelte uit zijn levensbeschrijving: Franciscus en zijn broeders verbleven in Rivortoto, niet ver van Assisi. Daar was een verlaten, eenzame hut waar ze konden schuilen tegen de steeds stromende regen. Er was daar zo weinig plaats dat de broeders ternauwernood konden zitten of liggen om te slapen. Heel vaak hadden ze geen brood en moesten ze het doen met een paar knollen die ze hier en daar bij elkaar hadden gebedeld. Franciscus schreef de namen van de broeders op de balken van de hut; dat wist tenminste ieder die wilde rusten of bidden waar hij terecht kon. Anders zouden ze door gebrek aan plaats of de bekrompen ruimte te veel lawaai maken en dat zou hun ingetogenheid verstoren.

Het heeft me verbaasd dat Franciscus met zijn radicale levenswijze binnen korte tijd zoveel volgelingen kreeg. Vijftien jaar nadat hij zijn kleren voor de voeten van zijn vader had neergegooid, is er een generaal kapittel, een grote vergadering zeg maar, waar drieduizend broeders bijeen zijn!

Terug naar het Evangelie van vandaag. Jezus spreekt niet alleen over de arme weduwe, maar hij waarschuwt ook voor de Schriftgeleerden. ‘Ze lopen graag in prachtige gewaden,’ zo zegt hij, ‘en worden graag gegroet op het marktplein; ze zitten graag vooraan in de synagoge en op de ereplaats bij het feestmaal.’ Ze doen wel vroom, maar het is schijn.
Het is iets wat je steeds weer ziet gebeuren. Een godsdienst kan niet zonder instituties, maar met de instituties komen er ook vaste posities mee, zijn er mensen die de beslissingen nemen en macht uitoefenen. Het is onvermijdelijk, maar het betekent wel dat de kans groot is dat de oorspronkelijke boodschap wordt afgezwakt, soms zelfs in zijn tegendeel verkeert. Dat gebeurde in het Jodendom, dat is gebeurd in het christendom. In de tijd van Franciscus speelde dat zeker ook. De kerk vergaart rijkdom, ook al zei Jezus: ‘Verkoop al wat je bezit en geef het aan de armen.’ Ze strijdt om de macht: de strijd tussen keizer en paus.

Paus Franciscus

Ook in onze tijd zie je dat. In het Vaticaan schijnt er een machtsstrijd gaande te zijn tussen paus Franciscus aan de ene kant en de Curie en anderen die onverkort aan de traditie willen vasthouden aan de andere kant. Hoe zal dat aflopen?
Van de bisschoppen wordt gehoorzaamheid gevraagd. Als ze iets zeggen wat afwijkt van de kerkelijke leer, dan lopen ze de kans hun positie in gevaar te brengen. Ze spreken vrome woorden, maar je vraagt je wel af of dat werkelijk gemeend is of maar schijn?

De woorden van Jezus over de Schriftgeleerden zijn niet alleen van toepassing op de religieuze leiders, maar ook op anderen.
Je kan denken aan politici. Ze doen veel beloftes, maar ze maken ze vaak niet waar. Ik zou zelf overigens niet graag politicus zijn, want je móet wel dingen beloven, want waarom zouden mensen anders op je stemmen? Je moet, en dat is onvermijdelijk, ook compromissen sluiten. Het is een dun lijntje tussen waarheid en schijn.
En wat denkt u van bestuurders van grote bedrijven? Voor het bedrijf is een goede naam belangrijk, zodat mensen je producten willen kopen, dat er anderen zijn die in je bedrijf willen investeren. Dus worden er mooie woorden gesproken over bv. duurzaamheid, maar klopt het ook?
Dat zijn een paar voorbeelden van groepen mensen voor wie de verleiding groot is om de waarheid wat aan te passen. Er worden mooie woorden gesproken, maar ondertussen..!

Hoe zit dat met ons? Wij zijn christen en tot onze traditie behoren mooie woorden, over liefde, over vrede, over vergeving. Als je mensen vraagt: wat betekent geloven voor jou, dan worden er mooie dingen gezegd: heb je naaste lief; respect voor de ander; vergeving en zo meer. En dan menen we dat ook. Alleen blijkt dat in de praktijk wel lastig waar te maken.
Dan oordelen we toch hard over anderen. Hoezo: oordeel niet, opdat je niet geoordeeld wordt?
Dan willen met die persoon met wie we een aanvaring hebben gehad, nooit meer iets te maken hebben. Hoezo: vergeef ons onze schulden, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven?
Het verhaal van de barmhartige Samaritaan, vinden we een mooi verhaal, maar als een onbekende hulp nodig heeft, dan is het onze zaak niet. Hoezo barmhartig?
Nu lijkt het of we allemaal slechte mensen zijn, maar dat is natuurlijk niet zo. Wel gebeurt het ons allemaal wel een keer, dat wij iemand veroordelen, dat we weigeren het weer goed te maken, dat we even niet willen helpen.
Het is daarom goed dat er profeten zijn, opdat het bij een enkele keer blijft en niet onze gewone manier van doen wordt.

Het is daarom goed dat er profeten zijn, zoals Elia die ons oproept om terug te keren naar de Eeuwige en zijn geboden te onderhouden.
Dat er profeten zijn zoals Franciscus die ons herinnert aan die boodschap van Jezus: verkoop al wat je bezit en geef het aan de armen.

Misschien, denk je, maar ik ben niet als Elia, die machtige profeet; ik ben niet als Franciscus die zo radicaal was in zijn keuze voor de armoede. Dan is er ook nog de weduwe uit Sarefath, die haar vertrouwen op God stelde en zo een onmisbare schakel bleek in de geschiedenis van Israël.
Dan is er nog de arme weduwe die haar vertrouwen op God stelde en ruimhartig gaf wat zij had.
Dan is er Narda die de straatkrant verkoopt en heel veel zorgen heeft, maar aan het einde van het gesprek vaak zegt: ‘Bidden. Komt goed.’

H. van Schalkwijk