Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging zondag 15 april, over INLIA

15 april 2018 | Bezinning Jozefgemeenschap, Jozefgemeenschap

Eerste lezing: Psalm 27, bewerking van Huub Oosterhuis
Tweede lezing: Lucas 24: 35-48

Lucas vertelt ons hoe Jezus aan zijn leerlingen verschijnt. Na zijn dood hebben zijn leerlingen zijn lichaam van het kruis gehaald en in het graf gelegd. Toen de volgende dag de vrouwen kwamen om hem te balsemen en te verzorgen met kruiden, was het graf leeg. Engelen zeiden tot de vrouwen: ‘Waarom zoek je de levende onder de doden? Hij is niet hier.’
De vrouwen vertelden het aan de andere leerlingen, maar die vonden het onzin wat de vrouwen zeiden…
Daarna hoorden we over de twee leerlingen die op weg gingen naar Emmaüs en hoe Jezus met hen meeloopt, hoe hij naar hen luistert en hen de Schriften uitlegt. Zij herkennen hem pas bij het breken van het brood! Dat was het begin van de lezing van vandaag.
Nu verschijnt Jezus opnieuw. ‘Vrede’, zegt hij tegen hen. Geschrokken en opgewonden geloven ze niet dat hij het is, dat hij het kán zijn. Ze denken een geest te zien, maar Jezus maakt duidelijk dat hij geen geest, geen schim is.

 Nu over de kaars en in het bijzonder over de afbeelding op de kaars die u ook hier rechts vindt. De afbeelding is gemaakt door de kunstenares Mary Koning. Ze bezocht in 1997 het tentenkamp in de Drentse bossen bij Beilen. De kerken in en rond Beilen, de landelijke Raad van Kerken en INLIA hadden daar tenten neergezet om mensen onderdak te geven. Het waren mensen van wie het asielverzoek door de overheid was afgewezen, maar vervolgens nergens heen konden: niet naar hun land van herkomst en evenmin naar een ander land. Het waren zoals dat heet: Technisch Onverwijderbare Vreemdelingen. Tot die groep wil je niet behoren: Technisch Onverwijderbare Vreemdelingen!
Ze waren zonder voedsel, zonder onderdak, zonder geld op straat gezet. Is dat een humaan asielbeleid?
Mary Koning werd geraakt door hun uitzichtloze situatie. In haar schilderij geeft ze uiting aan haar gevoel: dit zijn mensen zonder stem, zonder gezicht. Die zijn hen afgenomen.
Voor de overheid hebben deze mensen geen naam, geen gezicht.
Met de kille aanduiding Met Onbekende Bestemming Vertrokken, kan het dossier worden gesloten en eindigt de verantwoordelijkheid van de overheid. Ja, is dat zo?

Het verhaal van Jezus die aan zijn leerlingen verschijnt en het verhaal van deze mensen, raken elkaar op de een of andere manier.
De leerlingen geloven eerst niet dat het Jezus is. Ze denken een geest te zien, geen mens van vlees en bloed. Ze gaan het pas geloven als Jezus zegt: ‘Kijk maar, voel maar’. Als Jezus hun de wonden laat zien die de spijkers in zijn handen en voeten hebben achtergelaten. Om ze helemaal te overtuigen vraagt hij hen om hem iets te eten te geven. Hij krijgt een stukje vis en eet dat voor hun ogen op. Ja, hij is het echt!
Hij is dezelfde en toch heel anders. Hij staat onverwachts in hun midden, ze herkennen hem eerst niet en hij is ook even plotseling weer verdwenen.
Of dit nu echt zo gegaan is of dat Lucas ons vooral wil duidelijk maken dat het geen verzinsel of verbeelding van de leerlingen is geweest dat Jezus leeft, laat ik even rusten.

Waar dit verhaal dat van de vluchtelingen raakt, is dat zij vaak niet gezien worden als een mens, een mens met een naam en een geschiedenis.
Voor mensen die hier om asiel vragen is het niet gemakkelijk om te bewijzen dat zij de mens zijn die zij zeggen te zijn.
Jezus kon zijn leerlingen zijn wonden laten zien, daardoor wisten ze: Hij is het, Jezus, die gedood is en toch hier bij ons. Doordat hij een stukje vis at, zagen ze dat hij geen geest was, maar echt een mens, geen verzinsel of verbeelding.
Voor mensen die hier om asiel vragen ligt dat anders. Om te bewijzen dat je de mens bent die je zegt te zijn, heb je documenten nodig en die ontbreken vaak, omdat je die nooit gehad hebt of omdat de mensensmokkelaars je die hebben afgenomen of om welke reden dan ook..
Het is niet gemakkelijk om te bewijzen dat je gevlucht bent omdat je vreesde voor je leven en dat je op zoek bent naar een veilige plek. Vaak wordt er getwijfeld of je wel daarvandaan komt waar je zegt vandaan te komen. Hoe bewijs je dat?
U zou het boek van Nicolaas Matsier: Het achtenveertigste uur eens moeten lezen. Dat gaat over een asielaanvraag en hoe die procedure verloopt. Dat is werkelijk onthutsend.

Bij de overheid zijn deze mensen vooral een dossier dat afgehandeld moet worden, waarna het kan worden gesloten. Ze blijven mensen zonder gezicht, zonder een eigen geschiedenis.
Ook voor vele anderen, ook voor ons, blijven ze vaak mensen zonder gezicht en zonder naam. In die gevallen lopen we ze gemakkelijk voorbij en schenken we geen aandacht aan hen, dan raakt hun lot ons niet.
Het wordt anders als we mensen ontmoeten en persoonlijk leren kennen.

Daarom enkele verhalen van asielzoekers die INLIA opvangt.
In deze brochure schrijft John van Tilborg, de directeur van INLIA, dat iemand hem vroeg: Waarom vangen jullie al die mensen op zonder echt te weten wie ze zijn, wat voor achtergrond ze hebben, zonder te weten welke risico’s dat met zich meebrengt?
‘Daarop vertelde ik,’ aldus John van Tilborg, ‘dat wij dat best wel weten, hoor: het zijn mensen, ja mensen. Gewoon mensen maar dan van ver. Reizigers die veel, en soms alles, hebben opgegeven; soms ook zichzelf zijn kwijtgeraakt. Soms hele lieve beminnelijke mensen en soms helemaal geen gemakkelijke mensen.’
Dan nu het verhaal van Anna uit Armenië die werd opgevangen in de Bed-Bad-Broodopvang.

“Ze lijkt al bejaard. Een lief oud vrouwtje. Lief is ze, altijd dankbaar en vrolijk bovendien. Maar oud is ze niet: Anna uit Armenië is pas 48 jaar. Ze lijkt zoveel ouder omdat ze zwaar ziek is. Door een chronische ontsteking heeft Anna levercirrose gekregen. De lever kan steeds minder functioneren. Dat proces is onomkeerbaar.

John van Tilborg

Anna gaat dood zonder levertransplantatie. Dat staat vast. De IND (dat is de Immigratie en Naturalisatie Dienst) bestrijdt het ook niet. In Armenië kan ze geen transplantatie krijgen. Ook dat staat vast en wordt niet bestreden door de IND. Je zou denken: dat is een eenvoudige zaak. Deze vrouw wordt niet teruggestuurd. Ze krijgt natuurlijk een verblijfsvergunning op medische gronden. Ze staat al op de wachtlijst voor een transplantatie. Haar leven zal worden gered. Toch?
Daar hoeft toch niemand over na te denken?

Fout. Anna wordt wel teruggestuurd, als het aan de IND ligt. Het is namelijk niet bewezen dat Anna zonder behandeling binnen drie maanden doodgaat. En dat is nu eenmaal de termijn die de IND hanteert. Niet binnen drie maanden dood? Dan geen medische noodzaak.

Ik sta tegenover haar. Ik heb vaker over dit soort IND-besluiten gehoord en gelezen. Maar ik heb nog nooit oog in oog gestaan met iemand die het betrof. Iemand die feitelijk per ambtelijke brief haar doodvonnis heeft gekregen. Een lief, oud vrouwtje, ze kan nog geen tien meter lopen, zo ziek is ze. Ze glimlacht naar me. Wie schrijft zo’n besluit op? Wie tikt die woorden, die zinnen? Hoe doe je dat? Ik weet het antwoord niet. Ik weet alleen dat we ons best zullen doen haar te helpen het doodvonnis te keren.
Ik glimlach terug en hoop dat het lukt.”

Een nagekomen bericht: Anna heeft uitstel van vertrek gekregen. We wachten in spanning af.

Keren wij terug naar het Evangelie van vandaag. Nadat Jezus zijn leerlingen heeft duidelijk gemaakt dat hij het echt is, spreekt hij over de Wet van Mozes, de Profeten en de Psalmen.
Hoe zouden wij Jezus kunnen begrijpen als wij niet zijn achtergrond zouden kennen, als we niet zouden beseffen dat hij een kind van Israël is en dat de geschriften van zijn volk hem hebben gevormd en het fundament zijn van zijn diepe vertrouwen op God.
Jezus noemt de Wet van Mozes, de Profeten en de Psalmen.
Mozes heeft de Tien Woorden van God gekregen, om het leven met elkaar mogelijk te maken. Ze vormen een leidraad om in vrede met elkaar te leven.
De Profeten roepen Israël – en ons net zo goed – steeds opnieuw op om zorg te hebben voor weduwe, wees en vreemdeling, d.w.z. de kwetsbare groepen in de samenleving.
In de psalmen laat God zich kennen als een God die opkomt voor de armen en mensen in het nauw. In de eerste lezing hoorden we dat de psalmdichter vele vijanden heeft en veel gevaren onder ogen moet zien, maar hij vertrouwt erop dat God hem zal bevrijden, dat Hij uitkomst zal brengen. De God van Israël laat zich kennen als een God die bevrijdt.

Pas als wij mensen een gezicht geven, hun geschiedenis horen, dan zal hun lot ons raken. Daarom nog een verhaal uit de Bed-Bad-Broodopvang. Het gaat om Murat.
“Maar het is toch een Syriër? Die mogen toch blijven? Iedereen weet toch dat het daar oorlog is?’ Onze medewerker kijkt me niet begrijpend aan. Ik vertel haar net over Murat, een Syrische man die we hebben opgevangen, nadat het COA (Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers) hem uit het asielzoekerscentrum zette.

Het COA doet dat als een eerste asielaanvraag is afgewezen. Mensen hebben volgens het Rijk dan geen recht meer op opvang. Ik snap haar vraag. Hoe kan de asielaanvraag van een Syriër worden afgewezen? Het ligt ingewikkeld, maar het gaat mij eigenlijk niet om de juridische achtergrond. Het gaat mij om het menselijk aspect. Murat is er lichamelijk en geestelijk erg slecht aan toe. Hij is ondervoed en weegt nog maar 47 kilo.

Toch ging het COA hem op straat zetten. Op aandringen van Murats advocaat laat het COA een medische rapportage opmaken. De verpleegkundige schrijft in het rapport dat Murat zichtbaar ondervoed is. Hij heeft geen eetlust, vindt dat de wereld zonder hem kan en heeft zichzelf al eerder verwond. De medische rapporteur acht de kans op zelfmoord reëel. Het rapport concludeert dat het medisch onverantwoord is de man op straat te zetten.

En hoewel het COA opvang heeft voor asielzoekers in psychische nood, wordt hij uiteindelijk in een taxi gezet. Naar ons, de Bed-Bad-Broodopvang in Groningen.

Juridisch gezien zit het zo: Murat heeft eerder asiel aangevraagd in Zwitserland. In het Dublinakkoord hebben de Europese landen afgesproken dat mensen die in één land asiel hebben aangevraagd, dat niet nog eens in een tweede land kunnen doen. Dus zegt de overheid tegen Murat: u kunt hier geen asiel aanvragen. Maar dat klopt niet helemaal, want toen hij in Zwitserland asiel aanvroeg, deed dat land nog niet mee in het Dublin-akkoord. Dus daar kan Nederland zich niet op beroepen.

Murat heeft gewoon recht op opvang. Hij kan weer terug naar het COA. En dat is inmiddels ook gebeurd. Gelukkig heeft hij bij ons in de tussentijd lichamelijk en geestelijk een beetje bij kunnen komen. Hij is niet meer suïcidaal. We hopen dat hij in het AZC verder aansterkt. Maar dat zo’n beschadigd mens daarvoor eerst uit het AZC gezet moest worden..”

‘Het gaat om mensen,’ staat er op de kaars van INLIA. Het gaat om asielzoekers, vluchtelingen, het gaat om mensen van vlees en bloed, mensen met een gezicht, met een eigen geschiedenis.
En in onze oren klinken nog de woorden die Jezus tot zijn leerlingen sprak: ‘Heb God lief en heb je naaste lief die is als jij.’

Wanneer er vreemdelingen in ons midden klem komen te zitten door de regels en de procedures, hoe zouden wij, gelovige mensen, leerlingen van Jezus, dan niet geraakt kunnen worden door hun lot? Hoe zouden wij  ons niet verantwoordelijk weten voor deze mensen die zijn als wij?

H. van Schalkwijk