Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging zondag 2 september, over Mozes (4)

2 september 2018 | Bezinning Jozefgemeenschap, Jozefgemeenschap

Eerste lezing: Exodus 32: 1-6
Tweede lezing: Deuteronomium 34: 1-12

Luisteren we naar Mozes:
“We zijn aangekomen bij het land dat God ons beloofd heeft.
Het was een lange en moeilijke tocht. Het is maar goed dat je van tevoren niet weet wat er allemaal op je pad komt. Ik weet niet of ik het dan wel aangedurfd had. Als je eenmaal besloten hebt om het erop te wagen, dan ga je door. Opgeven is geen optie.
Hoewel.. soms heb ik het bijltje er bijna bij neer willen gooien. De vele moeilijkheden waar we tegenaan liepen, de mensen die altijd maar mopperden en klaagden, de vele conflicten onderling. ‘Zoek het toch mooi zelf uit,’ heb ik soms gedacht.

Nu lijkt het alsof het alleen maar ellende was, maar zo was het natuurlijk niet. We hebben geweldige momenten met elkaar beleefd. Toen de farao ons eindelijk toestemming gaf om te vertrekken; toen we de Rietzee doorgetrokken waren. En dan het moment dat we bij de Horeb aankwamen en God zich openbaarde in rook, vuur en bliksemflitsen. Dat was huiveringwekkend en fascinerend tegelijk! Daar ontvingen we van God de Tien Woorden, leefregels om in het nieuwe land goed met elkaar te kunnen leven. Dat was een hoogtepunt, voor mij, maar ook voor het volk. Ik zal nooit vergeten hoe ik het volk alle voorschriften en bepalingen van de Eeuwige bekend maakte en hoe het volk eenstemmig en vol overtuiging antwoordde: ‘Alle woorden die de Eeuwige tot ons gesproken heeft, zullen wij onderhouden.’ Vervolgens heeft God een verbond met ons gesloten dat bekrachtigd is met offers. Als ik er nu nog aan terugdenk, dan is er weer dat gevoel van diep ontzag en grote dankbaarheid.

Hoe snel kan het kantelen! Nadat het verbond was gesloten, zei God mij om de berg op te gaan om met Hem te spreken. De Eeuwige gaf mij daar behalve de Tien woorden ook nog vele andere voorschriften. Toen Hij tenslotte zijn woorden beëindigd had, gaf Hij mij de twee stenen platen met daarop de Tien Woorden gegrift.
Dat alles had veel tijd in beslag genomen. Veertig dagen en nachten was ik op de berg geweest. Dat was een lange tijd, te lang voor het volk. Toen het maar duurde en duurde voor ik terug kwam, werd het volk onrustig, ongedurig. De een zei: ‘Misschien is Mozes verongelukt en komt hij daarom niet terug.’ Een ander zei: ‘De Eeuwige heeft ons in de steek gelaten, waarom duurt het anders zo lang?’ Een derde: ‘Is God er wel? Is de Eeuwige nu bij ons of niet?’ Een vraag die het volk al eerder had gesteld. Ze wilden een god die zichtbaar was, die tastbaar was, een god zoals ze die kenden uit Egypte. Ze wilden zekerheid en daarom zeiden ze tegen Aäron: ‘Maak voor ons een god die we kunnen zien.’ En Aäron, al nooit een held, durfde er niet tegen in te gaan. Ze gaven hem hun gouden sieraden en hij maakte er een godenbeeld van: een stierkalf, teken van kracht en leven.
Voor ik de berg afdaalde met de twee stenen platen, wist ik al dat ze een godenbeeld hadden gemaakt, maar op het moment dat ik het volk zag, dansend en zingend rond dat gouden godsbeeld, werd ik overvallen door een grote woede. Hoe konden ze zo de God vergeten die hen uit Egypte had geleid! Met ongekende  kracht wierp ik de twee stenen platen op de rotsen. ‘Daar dan!’ donderde ik. Plotseling was het heel stil, niemand danste meer, niemand zong meer. Ik nam het afgodsbeeld en gooide het met een grote zwaai in het vuur.

Dat was echt het ergste moment dat ik meegemaakt heb op onze tocht. Dat het volk zó gemakkelijk de Eeuwige vergat die zoveel voor hen gedaan had!
Hoe het verder ging?
Het volk toonde berouw. Er kwamen twee nieuwe stenen platen.
Het had de Eeuwige niet onberoerd gelaten. Hij was zeer bij zijn volk betrokken en daarom ook was Hij diep teleurgesteld door hun ontrouw. Eigenlijk wilde Hij niet verder met dit volk. Het kostte mij moeite om Hem ervan te weerhouden het volk te vernietigen. Het was dat ik zei: ‘Als U uw volk vernietigt, zullen de Egyptenaren U honen: ‘Die God heeft zijn volk weggeleid om ze in de bergen te laten omkomen.’ En ook: denk aan Abraham, Isaäk en Jacob, aan wie U onder ede beloofd heeft dat U hun nakomelingen talrijk zou maken als de sterren aan de hemel.’ Gelukkig zag God toen af van het onheil waarmee Hij Israël had gedreigd.

Ik begreep dat een onzichtbare God van mensen een groot geloof vraagt. Dat mensen een zichtbaar teken van Gods aanwezigheid nodig hebben. Daarom maakten we een draagbaar heiligdom. Het maken daarvan zorgde voor een grote verbondenheid: iedereen droeg eraan bij, werkte er aan mee. Het werd een heiligdom, gemaakt van kostbare materialen en met kostbaar vaatwerk, zodat het indruk maakte op het volk en ontzag opriep. Toen het heiligdom klaar was, daalde de wolk, teken van Gods aanwezigheid, erop neer. Een God die zichtbaar en tegelijkertijd onzichtbaar was.

Er is nog veel meer gebeurd, maar wat nu telt, is dat we hier zijn bij de Jordaan. Binnenkort zal het volk de rivier oversteken en het land in bezit nemen. Ikzelf zal niet meegaan. Mijn opdracht was het volk tot hier te brengen. Ik ben soms hard geweest, maar dat moest ook wel. Anders waren we niet tot hier gekomen. Ik heb fouten gemaakt, ik ben me daarvan bewust, maar God weet dat ik me met hart en ziel voor dit volk heb ingezet. Ik heb het uit Egypte geleid, ik heb het door alle moeilijkheden heen, tot hier gebracht. Met Gods hulp, laten we dat niet vergeten.
Ik zal niet verder meegaan. Het is nu aan de volgende generatie, aan Jozua en anderen, om het volk leiding te geven.

God heeft mij het land getoond. Het is een goed land.
Als het volk zich houdt aan de leefregels die de Eeuwige hen heeft gegeven, dan zal zijn zegen op hen rusten. Ik laat hen met een gerust hart gaan. Het is goed zo.”

Een van de meest ingrijpende gebeurtenissen was voor Mozes de ontrouw van het volk: dat Israël zó snel het vertrouwen verloren had in de Eeuwige en hun toevlucht zochten bij een andere god! Het was nog maar zo kort geleden dat ze ‘ja’ gezegd hadden tegen de Tien Woorden. De Tien Woorden waarvan het begin luidt: ‘Ik ben de Eeuwige, de God die u weggeleid heeft uit Egypte, het slavenhuis. Dien geen andere goden naast Mij.’
Het lijkt misschien een verhaal van vroeger. Israël kende de goden die in Egypte werden vereerd, zoals Anubis, Horus, Aton, en noem maar op, goden die ze kenden omdat hun beeltenis overal te zien was. Dus dat Israël verlangde naar een zichtbare God, is wel te begrijpen.
In onze tijd is het monotheïsme, het geloof dat er maar één, onzichtbare, God is, wijd verbreid. Zowel het jodendom, het christendom als de islam kennen maar één God. Is het gebod om geen andere goden te aanbidden dan de Eeuwige daarmee niet achterhaald?

Zeker niet, want ook in onze tijd kennen wij afgoden en dan gaat het om zaken die wij zo belangrijk maken dat ze ons boven alles gaan. Het zijn zaken waarvoor wij bereid zijn andere mensen, of het belang van andere mensen, op te offeren.
Voor de een kan dat haar carrière zijn. Hij is daar zo mee bezig dat hij geen tijd en aandacht meer heeft voor familie, vrienden of wat ook behalve voor zijn werk. Voor de ander is het de alcohol. Die kan belangrijker voor je zijn dan het feit dat je het leven van je naasten – en van jezelf – daarmee kapot maakt..

Ook in onze samenleving zijn er bepaalde zaken die ik afgoden zou willen noemen.
– Veiligheid, daar wordt veel aan geofferd, zoals de privacy van mensen; het uitgangspunt dat je onschuldig bent tenzij het tegendeel bewezen is. Het wordt steeds meer: je bent verdacht, tenzij je kunt aantonen dat je niet schuldig bent.
– Geld is een afgod. Alles moet tegenwoordig in geld worden uitgedrukt: hoeveel kost het? Wat levert het op? Alsof dat nog het enige is dat telt. De economie móet groeien, ook als dat ten koste gaat van mensen. Dat is een gebod dat in steen gegrift is.  En denk maar niet dat je die steen kapot kan gooien! Jezus zei het al: je kunt niet twee heren dienen: God en de mammon.
Zal ik nog een paar afgoden noemen?
– Efficiency, alles moet zo snel en doelmatig mogelijk. Dat mensen het plezier in hun werk verliezen, eraan onderdoor gaan en een burn-out krijgen, verandert daar niets aan.
– Technologie. Als iets kan, dan moet het ook. Aan elke vinding zitten voor- en nadelen, maar er is geen tijd om daarover na te denken, want als wij niet de eersten zijn, raken we op achterstand. De ethiek, de vraag of dit wel ten goede komt aan mensen, of de nadelen niet groter zijn dan de voordelen, hobbelt er altijd achteraan.
Dat wat betreft de afgoden van onze tijd.

Mozes besefte dat het voor het volk moeilijk was om te geloven in een God die ze niet konden zien. Daarom werd er een heiligdom gemaakt. God kon op die manier in hun midden wonen. De vrouwen weefden prachtige stoffen, mannen bewerkten het kostbare hout, het goud en het zilver. Ieder droeg zijn steentje eraan bij. Toen het heiligdom klaar was, daalde de wolk van God daarop neer. Het volk zag de wolk en wist: God is in die wolk. Hij is bij ons.

Paus Franciscus

Onze katholieke kerk pretendeert ook een heiligdom te zijn waar God aanwezig is. Op dit moment is dat moeilijk te geloven, teveel schandalen, teveel machtsmisbruik. Toch geloof ik dat ondanks dat alles de kerk in de toekomst weer een plaats kan worden waar God wil wonen. Daarvoor zijn wel een aantal veranderingen nodig. Dat we niet langer afgoden nalopen, maar dat we weer ontdekken wat werkelijk belangrijk is: aandacht voor de armen, aandacht voor de aarde, zoals paus Franciscus ons voorhoudt. Wij kunnen aan die kerk bouwen, als we allemaal meedoen, als iedereen, ook wij hier in Zuidhorn, ons daarvoor inzetten. Ieder met de talenten die hij of zij heeft en daarbij dient er niet langer onderscheid gemaakt te worden tussen mannen en vrouwen.

Mozes is aan het eind van zijn leven gekomen. Zijn werk zit erop. Hij kan het nu verder overlaten aan Jozua.
Zover zijn wij nog niet. Wij kunnen het niet overlaten aan de leiding van onze kerk. Iedereen wordt gevraagd mee te werken aan wat de kerk zou moeten zijn: een plaats waar God wil wonen. ‘Als ik alles van tevoren had geweten,’ zo zegt Mozes, ‘dan weet ik niet of ik eraan was begonnen, maar wanneer je eenmaal besloten hebt om het met deze God te wagen, dan ga je verder. Opgeven is geen optie.’
Het lijkt me herkenbaar: als je eenmaal besloten hebt het met deze God (en met deze kerk?) te wagen, dan ga je ermee door. Het geloof/de kerk mag niet altijd brengen wat je ervan verwacht hebt: innerlijke vrede, troost, een warme gemeenschap, bisschoppen die inspireren en bemoedigen, maar opgeven is geen optie. Toch?!

H. van Schalkwijk