Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging zondag 26 augustus, over Mozes (3)

26 augustus 2018 | Bezinning Jozefgemeenschap, Jozefgemeenschap

Eerste lezing: Exodus 15: 1-7
Tweede lezing: Exodus 17: 8-16

Luisteren we naar Mozes:
“Eindelijk was het zover en trokken we weg uit Egypte, weliswaar met de strijdwagens van de farao op onze hielen. Wíj konden droogvoets over de bedding van de Rietzee naar de overkant, maar onverwachts stroomde het water terug en de wagens, paarden en ruiters van de farao werden meegesleurd door het woeste water. We waren gered! Het volk was uitgelaten. Mirjam speelde op de tamboerijn, er werd gezongen en gedanst.

Toen we verder trokken, verdwenen helaas de vrolijkheid en het vertrouwen al snel. Ze verdampten door de hitte van de zon en de verschroeiende dorst. Drie dagen vonden we nergens water en toen we tenslotte wel bij water kwamen, was het niet te drinken. De teleurstelling was groot en het volk begon te morren. Ze vonden dat ik maar voor een oplossing moest zorgen. Ik had hen hier gebracht, dus..
Hoe zou ik dat kunnen? Ik ben toch God niet! De Eeuwige had mij die onmogelijke opdracht gegeven zijn volk uit Egypte te leiden, nu moest Hij maar zorgen dat er water kwam, water dat te drinken was welteverstaan!

Als ik eraan terugdenk, hoe vaak het volk boos is geweest en de dreiging die daarvan uitging, als er weer eens geen water was, als er geen eten was of als er andere tegenslagen waren!
Ze waren als kleine kinderen, dacht ik soms. Altijd verwachtten ze van mij dat ik het zou regelen i.p.v. te bedenken wat ze zelf konden doen. Ze waren boos op mij, alsof alles mijn schuld was. Ik werd daar soms moe van, moedeloos ook, kwaad soms, maar als ik dan de wanhoop in hun ogen zag.. Ze waren weggevlucht uit Egypte omdat ze een beter leven wilden, voor henzelf, maar vooral voor hun kinderen. Als de situatie weer eens uitzichtloos leek, dan overviel hen de angst dat ze het beloofde land niet zouden bereiken, dat ze hier in de woestijn, mét hun kinderen, zouden omkomen.
Ik raakte zelf soms ook het vertrouwen kwijt. Waar was ik aan begonnen? Ik kon dat de mensen niet laten merken, dan zou het volk echt stuurloos zijn. En als we verdeeld raakten, zouden we zeker niet onze bestemming bereiken.
Dus stelde ik hen altijd weer gerust. Ik zei hen dat ik God om hulp zou vragen. En het wonderlijke is, dat als we dreigden om te komen van de dorst of te sterven van de honger, dat er dan altijd een oplossing kwam, zoals ook bij Mara. De Eeuwige liet mij zien waar de plant groeide die brak water drinkbaar kan maken.
Kennis van de woestijn, kennis waar water is te vinden, hoe je brak water drinkbaar kan maken, wat eetbaar is, is belangrijk, maar zo ontdekte ik tijdens onze tocht door de woestijn: vertrouwen op God, de droom van het door God beloofde land, is minstens zo belangrijk.

Sinaïwoestijn

Wij trokken verder van de woestijn van Sur naar Elim. Daar was het heerlijk, voldoende water, voldoende schaduw. Hadden we daar maar kunnen blijven, maar we moesten verder. We trokken door naar de woestijn van Sin en toen we uitgeput en doodvermoeid in Refidim aankwamen, was er opeens opschudding. De mensen achteraan, meest vrouwen en kinderen, werden aangevallen! De Amalekieten waren uit het niets opgedoken en vermoordden ieder die niet snel genoeg weg kon komen. Er moest direct gehandeld worden. Ik overlegde met Jozua. Hij zou alle weerbare mannen bijeenroepen en hen aanvoeren in de strijd tegen Amalek, terwijl ik met Aäron en Chur op de top van de heuvel zou gaan staan met de staf van God. Ik nam de staf mee waarmee ik het water van de Rietzee had geslagen, zodat het week en wij naar de overkant konden; de staf waarmee ik het water uit de rots had geslagen. Deze staf die symbool stond voor de God die ons uit allerlei penibele situaties had gered, die moest zichtbaar zijn, zo meende ik. Dat zou de mannen het vertrouwen geven dat de Eeuwige hen ook nu weer zou helpen, dit keer in hun strijd tegen Amalek. Het was een heftige, lange strijd en ik zou het alleen niet gered hebben om de staf van God hoog te houden, maar dankzij de steun van Aäron en Chur lukte het. Toen de mannen van Amalek zagen dat zij aan de verliezende hand waren, sloegen zij op de vlucht, met achterlating van hun doden. Teruggekeerd in het kamp vertelden de mannen over de strijd, hoe zij Amalek ‘vernietigend hadden verslagen en niemand in leven hadden gelaten.’ Ik liet het maar zo.
We bouwden een altaar ter herinnering aan deze slag. Ik heb daarbij wel gezegd; ‘Het is belangrijk altijd onze ogen gericht te houden op God. Hij heeft ons geholpen en Hij zal elke generatie opnieuw helpen om te strijden tegen Amalek en alles waar Amalek voor staat.’

Drie maanden nadat we uit Egypte waren vertrokken kwamen we aan bij de berg Horeb en ik moest terugdenken aan de woorden van de Eeuwige: ‘Als je het volk uit Egypte hebt geleid, zullen jullie Mij vereren op deze berg.’ Toen kon ik het mij niet voorstellen en nu was het toch werkelijkheid geworden! Ongelooflijk!”

In het Oude Testament staat zoveel geweld, zeggen mensen meer dan eens tegen mij en dat is de reden waarom ze niet zoveel op hebben met het Eerste Testament. Het klopt dat in het eerste deel van de bijbel veel geweld voorkomt, want de bijbel vertelt ons nu eenmaal over de wereld waarin wij leven. Het is dan ook niet vreemd dat we in de lezing van vandaag horen over geweld. Als we kijken naar de wereld van vandaag, dan horen we ook vaak over geweld. Nu leven we hier in West-Europa gelukkig al meer dan 70 jaar in vrede, maar op veel plaatsen in de wereld is dat anders. Misschien dat de mensen die moeite hebben met het geweld in de bijbel er vooral moeite mee hebben omdat God het geweld schijnt goed te keuren. Zo geeft de Eeuwige Mozes de opdracht: ‘Stel  dit ter gedachtenis op schrift en prent het Jozua in: Ik, de Heer, ga de herinnering aan Amalek van de aarde wegvagen.’ Dat klinkt toch wel heel gewelddadig. Nu staat er in de volgende zin: ‘De Heer strijdt tegen Amalek, elke generatie opnieuw.’ Als Amalek van de aarde is weggevaagd, dan valt er toch niet meer te strijden tegen Amalek?

Amalek, zo staat er in Deuteronomium, valt de zwakken aan, de vrouwen en kinderen en allen die niet goed kunnen meekomen. Ze doden hen zonder genade. Amalek staat voor al die mensen die anderen en dan m.n. hen die zich niet kunnen verweren, groot kwaad aandoen. In onze tijd kom je ook zulke mensen tegen voor wie het leven van anderen niet telt.
Het eerste denk je dan misschien aan criminelen, maar het kunnen ook machthebbers zijn die aan hun macht willen vasthouden; het kunnen ook bedrijven zijn die winst willen maken, ook al gaat dat ten koste van de gezondheid van hun werknemers en ten koste van het milieu. Tegen die mensen moet je je verzetten, zegt de Eeuwige ons vandaag en Hij belooft je daarin te steunen. ‘De Heer strijdt tegen Amalek, tegen het kwaad, elke generatie opnieuw!’ Dat is een strijd die op vele manieren gevoerd kan worden, door beschermende maatregelen bv. of door bekendmaking van misstanden. Moet je, mag je in deze strijd soms ook geweld gebruiken, als je daarmee het geweld tegen weerloze mensen kan stoppen?

Beatrice de Graaf, hoogleraar en terrorisme-deskundige heeft een boekje geschreven: Heilige Strijd, met als ondertitel: ‘het verlangen naar veiligheid en het einde van het kwaad.’
Er zijn enkele parallellen tussen de lezingen van vandaag en haar boek. Ze besteedt in ‘Heilige Strijd’ ruim aandacht aan het gevoel van veiligheid/onveiligheid van mensen van nu. Veel mensen voelen zich onveilig vanwege de aanslagen van de afgelopen jaren in Frankrijk, België en Duitsland-  u ook?
Of mensen voelen zich onveilig door de vele immigranten die naar Europa komen of ze zijn bang dat er weer oorlog komt. Ze verwachten van de overheid dat die hen beschermt, zoals het volk Israël op Mozes rekende. De politici doen wat Mozes deed: de mensen gerust stellen en daarnaast maatregelen nemen.
Israël kreeg te maken met hele concrete gevaren: honger, dorst, vijanden. Wij willen de gevaren vóór zijn. Eigenlijk willen wij 100% veiligheid. Je ziet het aan de maatregelen die genomen worden nadat er zich een drama heeft afgespeeld dat veel indruk heeft gemaakt op mensen. Na de ramp in Volendam waar een café uitbrandde en doden en gewonden vielen, kwamen er strenge voorschriften, opdat zoiets nooit meer zou gebeuren. Sinds er jonge kinderen werden misbruikt op een crèche in Rotterdam, moet iedereen die met kinderen werkt een Verklaring Omtrent Gedrag aanvragen. Nadat grote bedrijven als Google bleken te beschikken over allerlei gegevens van hun gebruikers, zijn er strenge regels gekomen om de privacy te beschermen. De aanleiding is altijd ernstig en dat er maatregelen worden genomen om zoiets in de toekomst te voorkomen, is goed, maar is het soms niet overtrokken? vraag ik me af. Hoe denkt u daarover?

Mensen eisen van de overheid dat die 100% veiligheid biedt, maar is dat realistisch? Dat verlangen naar volledige veiligheid, zo waarschuwt Beatrice de Graaf, kan totalitair worden. Het verlangen naar veiligheid brengt de overheid ertoe steeds meer te kijken: waar komt het kwaad vandaan? Zijn het de moslims, zijn het mensen die al eens in de fout gegaan zijn, zijn het homo’s, christenen of..? Moeten wij al die mensen bij voorbaat uitsluiten? Het maakt ons onverzoenlijk en de verdeeldheid in de samenleving wordt er alleen maar groter door.

Aan het eind van haar boek spreekt De Graaf die belijdend lid is van de kerk, over de liturgie van de hoop. In de samenleving spreken wij over de gevaren die ons bedreigen, over de risico’s, daar worden onze angstgevoelens gevoed.
Het is belangrijk, zegt ze, dat in de kerk onze hoop wordt gevoed.

Mozes kwam tot het besef dat behalve kennis van de woestijn, vertrouwen op God en de droom van het Beloofde Land minstens zo belangrijk waren, om het vol te houden.
Iets dergelijks zegt de Graaf ook. Zij zegt: bepaalde maatregelen zijn nodig maar geloof en hoop zijn minstens zo belangrijk, om niet te worden meegezogen in een sfeer van angst en achterdocht tegen alles en iedereen. Wij hebben immers weet van een God die ons niet alleen laat in onze strijd tegen het kwaad.

Beatrice de Graaf

In haar boek schrijft Beatrice de Graaf over criteria waaraan die strijd moet voldoen. Ik noem ze alleen, omdat het te ver voert om erop in te gaan. Als eerste: waarvoor voer je strijd? Alleen voor het belang van de eigen groep of voor het belang van allen? Verder: de strijd moet rechtvaardig zijn; de uitkomst moet het recht bevorderen. Als derde: de strijd heiligt niet alle middelen, maar is aan regels gebonden.

Mozes kon niet geloven dat Israël God op de berg Sinaï zou aanbidden. Toch ging hij op weg en al gaande, werd het werkelijkheid. Zo is het ook voor ons onvoorstelbaar dat er eens een einde aan het geweld zal komen. Alleen als wij in Jezus’ voetsporen de weg van de vrede gaan en op God blijven vertrouwen, zullen wij zijn droom van een wereld vol vrede levend kunnen houden en het kwaad kunnen weerstaan.

Gelooft u dat het goede het zal winnen van het kwaad?
Gelooft u dat de vrede het zal winnen van het geweld?

H. van Schalkwijk