Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging zondag 4 november, Allerzielen

4 november 2018 | Bezinning Jozefgemeenschap, Jozefgemeenschap

Eerste lezing: Niet vergeten (gedicht door Marinus van den Berg, enigszins bewerkt)
Tweede lezing: Psalm 139 (gedeelte, in een vertaling door Huub Oosterhuis)

Vandaag zijn wij hier bij elkaar om hen te gedenken die gestorven zijn. Iedereen, of bijna iedereen, zal zo dadelijk een lichtje aansteken voor iemand die hem of haar lief is en er niet meer is. Voor sommigen is het gemis nog vers, nog maar kort geleden. Anderen zullen hun naasten gedenken die misschien al vele jaren geleden gestorven zijn, maar die ze nog niet vergeten zijn. Een dag als vandaag nodigt ons uit om aan hen te denken en in herinnering te roepen wie zij voor ons waren.

Het maakt verschil of wij hier zijn omdat wij pas iemand verloren hebben of dat het langer geleden is, maar sowieso is verlies in elke situatie anders. Als iemand op hoge leeftijd sterft, dan kan je er eerder vrede mee hebben dan wanneer de dood al veel eerder komt. Als jonge mensen of erger nog als een kind sterft, dan schokt ons dat. Hij had zijn leven nog voor zich. Waarom moest hem dat overkomen?
Het is anders als je een van je ouders die al op leeftijd zijn, moet missen. Dan kan het gemis wel groot zijn, maar als je kunt terugkijken op de vele goede jaren die je met elkaar hebt meegemaakt, kun je ook dankbaarheid voelen.

Marinus van den Berg

Marinus van den Berg zegt het zo:

Als je moeder er niet meer is
Je leven is voor altijd anders
als je moeder niet meer tastbaar in je leven is.

Niet meer tastbaar, maar wel voelbaar
in de herinneringen die je aan haar hebt.

Soms doen die herinneringen pijn,
omdat je haar mist.
Soms doen die herinneringen je goed,
omdat je weet dat zij van je hield.

Soms zijn die herinneringen een hand op je schouder
en helpen ze je
om je leven zo zinvol mogelijk te leven.

Je leven is voor altijd anders geworden.

Er is het gemis. Soms wil je nog iets vertellen en sta je al met de telefoon in je hand en dan dringt het opeens tot je door: ‘O nee, ze is er niet meer.’

Verlies, in elke situatie anders. In dit gedicht van Marinus van den Berg wordt gesproken over herinneringen die pijn doen omdat je haar mist, maar het kan ook zijn dat herinneringen aan je moeder – of je vader – je pijn doen, omdat de verhouding met hen niet goed was. Je hebt liefde en aandacht gemist. Er was niet veel warmte. Je ouders lieten niet merken dat ze van je hielden, dat ze geïnteresseerd waren in wie jij was en wat je deed. Ze vroegen nooit: ‘Hoe gaat het met je? Hoe gaat het op je werk?’ De herinneringen aan de goede momenten die er ook waren, worden overschaduwd door het gevoel niet gezien, niet begrepen te zijn. En als mensen dan zeggen: ‘Je moeder is altijd zo hartelijk; wat is je vader een fijne man,’ dan schuurt dat. Je knikt en gaat er niet tegen in. Je wil je ouders niet afvallen. Anderen hoeven niet te weten dat er ook nog een andere kant van het verhaal is. Het maakt je soms wel eenzaam omdat je je herinneringen niet kan delen.

Dan nu naar de psalm die wij zojuist gehoord hebben. De dichter ervaart Gods nabijheid, voelt zich gekend en gezien. ‘Mijn God,’ zo zingt hij, ‘Gij peilt mijn hart en Gij kent mij. Gij weet waar ik ga of sta. Gij zijt vóór mij en Gij zijt achter mij. Gij hebt uw hand op mij gelegd.’
Voor sommigen zullen deze woorden een gevoel van beklemming oproepen – God die je altijd ziet, maar bij mij roept het een gevoel van geborgenheid op. Uit deze psalm spreekt vooral dat God zó vertrouwd is met ons en ons zó nabij. En God is tegelijk degene die ons ver te boven gaat. Dat vind ik heel mooi: die vertrouwdheid die tegelijk gepaard gaat met groot ontzag voor God. Zoals de dichter zegt: ‘Hoe moeilijk zijn uw gedachten voor mij. God, wat een machtig geheel. Ga ik ze tellen, ze zijn zo talrijk als het zand aan de zee en dan nog; dan weet ik nog altijd niets van U.’

Huub Oosterhuis

Zijn er onder ons die God zo nabij ervaren? Ik hoop het van ganser harte. Ik vermoed echter dat het voor velen anders ligt. Wij zijn allemaal beïnvloed door het rationele denken. Wij leven in een wereld waarin velen alleen geloven in wat bewezen is. En wat daarbuiten valt, daar wordt al gauw de schouders over opgehaald.
Behalve het rationele denken staan ook oude beelden ons in de weg. In het verleden hebben talrijke kunstenaars God afgebeeld als een man, zoals ook hier op het altaar; God de Vader, God de Zoon en de Heilige Geest in de gedaante van een duif. Dat beeld is geworden tot een struikelblok.
In Israël was een van de Tien geboden dat er geen beeld van God gemaakt mocht worden. Israël moest het alleen doen met de Naam waarmee God zich bekend had gemaakt: Ik ben die Ik ben. Een geheimzinnige naam, die niet duidelijk maakte wie deze God nu eigenlijk was. Het volk Israël heeft pas gaandeweg ontdekt wie die God was, hoe die God er voor hen was.
Zo is het ook nu nog: pas als je durft te vertrouwen op deze God en met Hem je weg door het leven wil gaan, zal je ontdekken dat Hij er is. Niet tastbaar, wel voelbaar.
Wij hebben in onze tijd niet zo’n duidelijk beeld meer van God, maar wat blijft is dat God een Tegenover is, zoals Martin Buber zegt: Ich und Du: ik en jij. God bij wie je terecht kunt, bij wie je alles neer kunt leggen wat er in je leeft, je zorgen, je verdriet en ook je boosheid en bitterheid, alles wat je misschien niet kunt zeggen aan de mensen om je heen. Omdat ze het niet willen horen, omdat ze het niet zullen begrijpen, omdat je het niet over je lippen krijgt. Bij God kun je dat alles wel neerleggen. En misschien dat na verloop van tijd het verdriet toch iets van zijn zwaarte zal verliezen en dat boosheid en bitterheid iets van hun hardheid zullen kwijtraken.

In de psalm is ook ruimte voor vreugde en verwondering. De dichter is diep onder de indruk van de ontzaglijke wonderen die God verricht. In onze tijd is er niet veel ruimte voor verwondering. Wij nemen veel als vanzelfsprekend aan, bv. dat wij er zijn en dat de wereld er is met al wat daarop leeft. Dat God ons de aarde heeft gegeven om er te leven met alle mensen en dieren, wordt vaak vergeten. We missen het ontzag voor de aarde die door God geschapen is. We gaan er dan ook niet erg zuinig en zorgvuldig mee om. De psalmdichter beseft dat hij zichzelf niet gemaakt heeft, dat het een wonder is dat hij er is. Hij beseft dat het leven hem gegeven is en dat het hem elke dag opnieuw geschonken wordt.

Het is niet vanzelfsprekend dat je er bent. Op een dag als vandaag besef je dat weer, nu we stilstaan bij de mensen die gestorven zijn. Vaak gaat er een kortere of langere periode van ziekzijn aan vooraf, maar soms komt het einde onverwacht, heel plotseling door een ongeluk, een hartaanval of een hersenbloeding. In één ogenblik is je leven heel anders geworden. En het wordt nooit meer hetzelfde als daarvoor.
Sommige mensen hebben steun aan hun geloof wanneer ze het moeilijk hebben, maar anderen raken hun geloof dan juist kwijt. Hun geloof is door wat hen overkomt uit handen geslagen en in stukken uiteengevallen. Dat er dan mensen mogen zijn die je helpen het verdriet te dragen. Verdriet om iemand die je heel na staat, een kind, een partner. Als je hen verliest, raak je ook een deel van jezelf kwijt. Die ander maakt deel uit van wie je bent. Ook het verlies van een broer of een zus kan je leven veranderen. Nog een gedicht van Marinus van den Berg.

Verdriet verandert
Verdriet verandert jezelf
Verdriet doet je
anders horen
anders zien
anders waarnemen
anders voelen.
Verdriet maakt je gevoeliger.

Verdriet verandert
je contacten
je levenszin
je levensverwachting
Verdriet verandert
je interesses
Verdriet verandert
de mensen om je heen

Verdriet maakt je
vergeetachtig soms,
maar nooit vergeet je
wie eens jouw leven anders maakte,
hoop, zin en levenslust gaf,
een nieuwe kleur.

Verdriet verandert ook zelf.
Zwaar als het kan zijn,
loodzwaar – bijna niet te verdragen –
kan het anders worden,
lichter soms,
maar nooit vergeet je
wie eens jouw leven anders maakte.

Verdriet kun je niet alleen verdragen
Verdriet kan anders worden
als er mensen meedragen.

Zo kan verdriet iets lichter worden, als mensen met je meeleven, als mensen je niet vergeten. Of ze dat nu doen door een kaartje te sturen, door een bezoekje te brengen, door praktische hulp of door te zorgen voor wat afleiding. Soms heb je er ook behoefte aan dat mensen luisteren, dat ze niet met verhalen komen over die of die, maar dat ze luisteren naar jou, naar wat het voor jou betekent dat die ander die deel van jou was, er niet meer is.

Weer terug naar de psalm. ‘Uw schepping ben ik in hart en nieren,’ zo zingt de psalmdichter, en ook: ‘Door U ben ik gekend, mijn ziel en mijn gebeente, in mij was niets voor uw ogen verborgen, toen ik werd gevormd in het diepste geheim.’
God die zijn schepselen zo kent, die ieder van ons kent, die ons beter kent dan wij onszelf kennen, zal deze God ons loslaten als aan ons leven hier op aarde een einde komt?
Ik weet het: veel mensen, onder hen ook veel gelovigen, menen dat de dood het einde is. Ze kunnen zich niet voorstellen dat het anders is… máár er zijn zo veel dingen die ik me niet kan voorstellen en die toch werkelijkheid zijn: het heelal dat zo oneindig groot is; dat onze aarde er is, zo bijzonder als je bedenkt dat er nog geen planeet gevonden is waar ook leven mogelijk is; dat op onze aarde leven is ontstaan en dat dat leven zich ontwikkeld heeft tot zoveel soorten met zo’n grote diversiteit. Dat is toch ongelooflijk?
Er zijn de verhalen van de generaties voor ons over een God die met hen meetrekt, bij wie ze steeds opnieuw steun vonden, van wie ze altijd de kracht kregen om verder te gaan.

Daarom durf ik te geloven dat zij die gestorven zijn bij God zijn. Ik kan mij er geen voorstelling van maken hoe dat zal zijn, maar het is voldoende om te weten: God houdt ons mensen vast in leven en in sterven.
We mogen geloven dat zij die niet meer onder ons zijn, leven in zijn licht, dat zij die gestorven zijn, geborgen zijn bij God..

H. van Schalkwijk

De gedichten van Marinus van den Berg komen uit de bundel: Woorden in de stilte, teksten bij afscheid