Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging zondag 8 juli, over Mozes (2)

8 juli 2018 | Bezinning Jozefgemeenschap, Jozefgemeenschap

Eerste lezing: Exodus 3: 9-14
Tweede lezing: Exodus 4: 10-14

Mozes: ‘Ik was naar Midian gevlucht. Er brak een heel ander leven voor mij aan, ver weg van het paleis en ver weg van dat volk van slaven.
Bij de bron daar ontmoette ik de zeven dochters van de priester Jethro en een van hen, Sippora, werd mijn vrouw. We kregen een zoontje en ik noemde hem Gersom: vreemdeling, want was ik niet te gast in een vreemd land?
Voortaan hoedde ik schapen, de schapen van mijn schoonvader Jethro. In het begin ben ik wel wat schapen kwijtgeraakt. Ik had geen ervaring. Gewoonlijk lopen de dieren wel bij elkaar, maar als ze ergens van schrikken, dan draven ze alle kanten op. Soms viel er één in een kloof of bleef er eentje te ver achter en werd gepakt door een roofdier. Ik leerde steeds beter om ze bij elkaar te houden, ik leerde waar water en gras te vinden was. Het was een heel ander leven dan in het paleis, dat is zeker!
Ik vond een zekere rust: Egyptenaar of Hebreeër, hier in de woestijn maakte dat geen verschil. Iedereen lijdt onder de hitte van de verzengende zon; ieder die in de woestijn verdwaalt, loopt kans om te komen van de dorst.

Mozes (Rembrandt)

Ik had vrede met mijn nieuwe leven, maar op een dag – ik trok inmiddels al jaren rond met de kudde – gebeurde er iets vreemds. Ik was verder dan anders de woestijn ingetrokken en toen zag ik een doornstruik die in brand stond, maar – dat was het vreemde – niet verteerde. Nieuwsgierig liep ik ernaar toe en iets dwong me mijn sandalen uit te doen. Ik voelde: ik sta hier op heilige grond.
En toen hoorde ik een Stem: de God van Abraham, Izaäk en Jacob sprak tot mij! Hij wilde dat ik naar de farao zou gaan met de boodschap, dat hij de Hebreeërs moest laten gaan.

Hoe kon ik, allang weg uit het koninklijk paleis, gevlucht en nu niet meer dan een herder, dat volk uit Egypte leiden? Ik protesteerde dan ook. Ik zei: “Stel dat ik het zou doen, wat moet ik zeggen? Namens wie kom ik dan?” Of ik nu zei dat ik het niet kon, dat het volk niet naar mij zou luisteren, de Stem wilde niets weten van mijn bezwaren. Ik probeerde er nog onderuit te komen door te zeggen dat ik geen spreker was, geen redenaar. Ik heb jarenlang bijna alleen tegen mijn beesten gepraat, hoe zou ik dan de farao ervan kunnen overtuigen dat hij het volk moet laten gaan?
Ik weet dat de Egyptenaren en ook de farao bang zijn voor de Hebreeërs, omdat ze met steeds meer zijn, maar tegelijkertijd hebben ze hen nodig om het zware werk te doen. Wie zouden anders de stenen bakken voor alle tempels en paleizen? Het zijn goedkope arbeidskrachten tenslotte. Dus ik had niet het idee dat de farao zou zeggen: ‘Goed idee. Ga gerust.’
‘Vraag liever iemand anders,’ zei ik nog, maar toen verloor de Eeuwige zijn geduld. ‘Aäron, je broer zal spreken voor jou.’
Toen kon ik niet anders dan doen wat Hij mij gezegd had. Aäron en ik gingen naar de farao, maar daar vingen we bot, zoals ik al gedacht had. De God die zich: ‘Ik ben die Ik ben’
noemde gaf niet op. Hij had het blijkbaar in zijn hoofd gezet om de nakomelingen van Jacob te bevrijden. Alleen was de farao net zo koppig en net zo vastbesloten als Hij om het volk níet te laten gaan. Het ging hard tegen hard. En als de machtigen met elkaar strijden, dan hebben de gewone mensen daar het meest van te lijden. De Hebreeërs omdat de farao strafmaatregelen nam: ze moesten nog harder werken dan daarvoor. De situatie werd voor hen eerder slechter dan beter. En dan kwamen ze bij mij klagen, woedend en schreeuwend, zodat ik me soms echt bedreigde voelde.
Maar ook de Egyptenaren hadden het zwaar, want de ene na de andere plaag kwam over Egypte. Het begon ermee dat het water van de Nijl veranderde, de Nijl de levensader van Egypte. Het water kreeg een rode kleur als van bloed, stonk en was ondrinkbaar. Daarna kwamen er kikkers, overal waren kikkers, op het veld, maar ook in de huizen, in bed, in de kookpotten overal.
Daarna muggen, zwermen muggen en alsof dat nog niet genoeg was kwamen er vervolgens steekvliegen. Het land was ervan vergeven. Waren het de steekvliegen die de veepest meebrachten? Veel dieren stierven: paarden, ezels, kamelen, schapen, geiten.
Bij elke plaag beloofde de farao het volk te laten gaan, maar als de plaag voorbij was, dan was hij zijn belofte weer vergeten. Hij luisterde ook niet langer naar zijn raadgevers. Moet ik nog vertellen over de zweren, over de hagel, de sprinkhanen. Dat was ook erg, al die sprinkhanen die over het land kwamen en alles kaal vraten! Tenslotte de duisternis en dan het ergste: de dood van alle eerstgeborenen in Egypte..

Ik heb mij tijdens die onderhandelingen met de farao vaak afgevraagd: is dit het waard? Houdt het dan nooit op? Maar ook: als ik nu zou opgeven, dan is alle moeite voor niets geweest. Dan zal er nooit iets veranderen.
Uiteindelijk heeft de Eeuwige zijn volk uit Egypte geleid, om het te voeren naar een land van melk en honing.’

Dit verhaal van Mozes laat zien dat als je verandering wil, dat veel geduld en doorzettingsvermogen vraagt, zeker als je machtige mensen, machtige instituties tegenover je hebt.
Een voorbeeld uit onze tijd: bv. het Nationale Klimaatakkoord dat komende dinsdag verschijnt. Milieuorganisaties, overheden (rijk, provincie en gemeenten) en bedrijven hebben lange onderhandelingen gevoerd, met als doel te komen tot minder CO2 uitstoot.
In het Klimaatakkoord van Parijs van december 2015 is afgesproken dat de uitstoot van fossiele brandstoffen fors moet worden teruggebracht. Met name de verbranding daarvan zorgt voor opwarming van de aarde. Het streven is om de opwarming te beperken tot 1,5, max. 2 graden. Nederland heeft toen beloofd hard daaraan te werken. Het Nationaal klimaatakkoord is daar een uitwerking van. Het is volgens sommige commentatoren te vaag, stelt weinig voor, want concrete plannen zijn er niet in opgenomen.

Als ik denk aan het verhaal van Mozes, hoe lang het duurde voor de farao het volk Israël liet gaan, dan denk ik: grote veranderingen gaan niet in één keer. Daarvoor staan er teveel belangen op het spel. Het gaat erom om vol te houden.
Vaak worden er toezeggingen gedaan, die later toch niet worden nagekomen.
Zo zegt de farao na elke plaag tegen Mozes: ‘Bid tot uw God dat Hij de plaag doet ophouden’ en als Mozes dan bidt en het water van de Nijl weer schoon wordt, de kikkers weer verdwijnen, de muggen, de pest, de hagel of wat dan ook, dan trekt de farao zijn toezegging weer in. Dan mag Israël toch niet vertrekken.
Dat is in onze tijd niet anders.
Als het gaat om het klimaat, dan kun je gemakkelijk cynisch worden en zeggen: ‘Goed, 178 landen hebben dat klimaatakkoord in Parijs ondertekend, maar wat komt ervan terecht? En dan heeft president Trump ook nog het klimaatakkoord van Parijs opgezegd en heeft Amerika zich daaruit teruggetrokken. Dat wordt toch nooit wat?’ Denkt u dat ook?

Egypte werd getroffen door tien plagen voor de farao toegaf. Als het gaat om het klimaat, om onze aarde, zijn er al verschillende ‘plagen’ om het zomaar te noemen geweest. In de jaren ’70 was er het rapport van de Club van Rome. In dat rapport werd gewaarschuwd dat de economische groei en de overbevolking het voortbestaan van de aarde in gevaar bracht. Nadat de eerste schrik was weggeëbd, werd er gezegd dat de berekeningen niet klopten (en dat was ook zo, maar de ernst van de problematiek werd daarmee ook ontkend). Men ging verder zoals men gewend was. Steeds weer kwamen er alarmerende berichten: over bossen die stierven door de zure regen, over het gat in de ozonlaag, over het klimaat dat veranderde, over steeds heftiger orkanen, over grote droogte, over verlies van biodiversiteit, over bijensterfte, over uitputting van de grond, over het poolijs dat smelt. Het heeft wel iets van de tien plagen van Egypte..
Altijd was er eerst de schok: dat is ernstig, maar daarna relativeerde men het. Technische oplossingen zouden het probleem verhelpen. En de opwarming van de aarde? Ach, in het verleden had je ook periodes dat het kouder was en dan weer warmer. Echt niet door het toedoen van de mens, hoor!
Net als in Egypte duurde het erg lang voor het besef doordrong dat er echt iets aan de hand was. De farao liet uiteindelijk het volk gaan. Het vroeg wel geloof van Mozes om vol te houden en ondanks alle tegenslagen, te blijven werken aan de bevrijding van zijn volk.
Zo vraagt het ook geloof van allen die het leven op onze aarde willen behoeden, om vol te houden en te blijven werken aan het terugdringen van de CO2 uitstoot en aan duurzaamheid.

In de eerste lezing hoorden we dat Mozes er helemaal niets voor voelde om te doen wat God van hem vroeg. Hij sputterde tegen: ‘Ik kan het niet, vraag liever een ander.’ Maar de Eeuwige stelde de vraag aan hém.
Zo kan het ieder van ons overkomen dat er in het leven een appèl op je wordt gedaan. Je wilt het misschien niet, denkt dat je het niet kan, maar je  wordt gevraagd het toch te doen. Het kan gaan om heel verschillende situaties: je krijgt een kind dat veel extra zorg nodig heeft. Daar heb je niet om gevraagd. Kan je dat wel? Belangrijk is het dat je het niet alleen hoeft te doen, maar dat er anderen zijn die je kunnen steunen en aanvullen, zoals ook Aäron Mozes aanvulde.
Of je partner krijgt een ernstige ziekte, die jullie leven, jullie relatie verandert. Je hebt er niet voor gekozen, maar nu wordt je toch gevraagd om te kijken hoe jullie samen verder kunnen.
Misschien komt er een vraag op je af die niet in het persoonlijke vlak ligt, maar bv. op het werk. Er gaan dingen niet goed en er is niemand die dat durft aan te kaarten. Je kunt het gevoel hebben: hier moet iets aan gedaan worden. Je voelt dat als niemand anders het doet, jij het dan maar moet zijn. Ook al wil je liever niet, ook al vind je jezelf misschien niet de meest geschikte persoon daarvoor.

Dag Hammarskjöld

Mozes werd door God gevraagd om het volk uit Egypte te leiden, zo zegt de Schrift ons. In onze tijd zijn we wat voorzichtiger met het spreken over God, maar desondanks hebben mensen soms een ervaring die daar erg op lijkt. Zo is er een tekst van
Dag Hammarskjöld (secretaris van de Verenigde Naties in de jaren zestig) die voor veel mensen herkenbaar is.
Hij schreef:
Ik weet niet wat – of wie- de vraag stelde.
ik weet niet wanneer ze gesteld werd.
Ik herinner me niet dat ik antwoordde,
maar eens zei ik ja, tegen iemand – of iets –
Vanaf dat moment heb ik de zekerheid
dat het leven zinvol is
en dat mijn leven, gehoor gevend aan de vraag,
een doel heeft.

Herkent u zich in deze woorden?

 

H. van Schalkwijk