Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging 21 mei, over liefhebben

21 mei 2017 | Nieuws

Eerste lezing: Handelingen 8: 26-40
Evangelielezing: Johannes 14: 15-21

Het Evangelie van vandaag begint met de woorden: ‘Als jullie mij liefhebben, dan zal je mijn geboden onderhouden’ en het eindigt ook met deze woorden: ‘Wie mijn geboden onderhoudt, die heeft mij lief’, waarop nog volgt: ‘en wie mij liefheeft, zal ervaren hoe de Vader hem liefheeft en ook ik zal hem liefhebben en mij aan hem openbaren.’

Als wij over liefde en liefhebben spreken, dan bedoelen wij vaak liefde tussen man en vrouw (of tussen twee mannen of twee vrouwen die een intieme relatie hebben). Wij gebruiken het woord liefde als het gaat om de liefde tussen ouders en kinderen, sommige andere familieleden met wie wij een heel hechte band hebben.
Als wij denken aan vrienden en vriendinnen, dan noemen we dat geen liefde, maar vriendschap, verbondenheid, genegenheid. Met mensen van je werk, je buren, mensen met wie je samen sport of met wie je zingt in een koor of.. kan je je ook verbonden voelen, je kunt ze waarderen, hen graag mogen, maar we spreken dan meest niet over liefde.

Liefde is iets blijvends. Als het goed is. Veel huwelijken lopen in onze tijd stuk. Er zijn veel factoren aan te wijzen waarom dat zo is. Het heeft te maken met de relatie tussen deze twee mensen, maar ook met de maatschappij waarin wij leven. Soms zegt de man, de vrouw: ‘Ik houd niet meer van haar, van hem. De liefde is over.’ Dan vraag ik me af: wat is dat dan, wat houdt dat in, houden van? Het lijkt mij dat liefde vooral gedijt als je tijd hebt/tijd máákt voor elkaar: dat je sommige dingen samen doet, samen fietst, samen naar een concert gaat, samen met de hond loopt of wat dan ook. Dat je aandacht hebt voor de ander, dat je belangstelling toont voor wat de ander leuk vindt, belangrijk vindt, dat je bereid bent sommige dingen te doen, alleen omdat die ander dat graag wil, dat je rekening houdt met de ander. En dat graag over en weer!

Het zit soms in kleine dingen die kunnen uitgroeien tot een bron van conflict…
Monica moppert op haar man Xander, want hij laat altijd de kranten rondslingeren, hij gooit zijn vuile sokken niet in de wasmand, dat soort dingen. Ze heeft al vaker gezegd: ‘Ruim de kranten op, als je ze uithebt, gooi je sokken in de wasmand,’ maar hij vergeet het, vindt het ook niet belangrijk. De rommel stoort hem niet, maar het stoort Monica wèl, want ze voelt: hij vindt het niet belangrijk, hij vindt míj niet belangrijk, anders zou hij wel doen wat ik hem vraag. Ze voelt zich niet gezien, niet gehoord. En dat is veel erger dan rondslingerende kranten..

Nu kom ik terug bij het Evangelie waarin Jezus zegt: ‘Wie mij liefheeft, onderhoudt mijn geboden.’ Anders gezegd: ‘als je van mij houdt, dan doe je graag wat ik van je vraag, wat voor mij belangrijk is.’ Liefhebben moet ook invulling krijgen.
Het is goed om soms – of wat vaker – te zeggen: ik hou van jou, maar het moet ook zichtbaar en voelbaar worden voor de ander in wat je verder zegt en doet.

Liefhebben en geloven hebben veel gemeen.
Ze hebben allebei te maken met zaken die in het leven van mensen essentieel zijn. Houden van, je kan soms wel redenen aangeven waarom je van die ander houdt, je kunt het wel beredeneren, maar het is niet iets waartoe je komt op grond van je denken. Als het gaat om geloven, kun je ook argumenten aangeven, goede gronden waarom je gelooft. Maar zowel bij liefhebben als bij geloven is niet je verstand bepalend, maar gevoel, verlangen, zoeken naar zinvol leven, een innerlijk weten; daar ergens begint het. Vandaaruit kunnen liefhebben en geloven groeien.

Liefhebben vraagt om invulling. Alleen zeggen: ik hou van jou, is niet genoeg. Zo is het ook met geloven. Als je zegt: ‘Ik geloof in God’, maar uit niets van wat je doet, blijkt dat het van invloed is op je manier van leven, wat betekent het dan? Als je zegt: ik geloof dat Jezus de Zoon van God is, maar je houdt je niet aan wat hij van je vraagt, wat betekent dat dan?

Ik wil graag een kort joods verhaal vertellen over een rabbi en een zeepfabrikant. De zeepfabrikant zegt tegen de rabbi: “Wat stelt godsdienst nu eigenlijk voor? Kijk naar alle ellende en de toestand in de wereld na duizenden jaren godsdienst. Als godsdienst waarheid is, wat heeft het dan te betekenen?”
De rabbi zegt niets maar hij neemt de zeepfabrikant mee naar buiten. Daar zijn een stel jongens aan het spelen en ze zitten van boven tot onder onder de modder. Hij zegt: “Kijk daar nou eens naar. We hebben al generaties lang zeep, maar ze zijn zo vies als varkens. Wat heeft zeep dan voor zin?”
De zeepfabrikant protesteert: “Maar rabbi, zeep werkt alleen als ze wordt gebruikt”. “Precies!” zegt de rabbi. “En met godsdienst is het niet anders!”

Geloof vraagt net als liefde om een invulling. Als je er niets mee doet, als je het niet voedt, dan verdwijnt het. Om te geloven heb ik de kerk niet nodig, zeggen mensen soms, maar ik heb daar mijn twijfels over. Je hebt – misschien – de kerk niet nodig, maar wel anderen die met jou zoeken, met jou samen het geloof vieren, die proberen naar het geloof te leven. Ofwel, om bij het Evangelie van vandaag te blijven: die proberen de geboden te onderhouden die Jezus zijn leerlingen, en dus ook ons, gegeven heeft.
Wat zijn dan die geboden die Jezus gegeven heeft?
Bij Mattheüs vind je in de Bergrede wat Jezus van zijn leerlingen verwacht. Bij Lucas vind je diezelfde woorden van Jezus, met wat kleine verschillen. Bij Johannes zegt Jezus: ‘Dit is mijn gebod dat jullie elkaar liefhebben.’

Rembrandt – De doop van de kamerling

De eerste lezing hebben we gelezen uit het boek ‘de Handelingen der apostelen’, geschreven door Lucas. Hij schrijft over de mensen die zich na de dood en verrijzenis van Jezus hebben aangesloten bij Petrus en de andere leerlingen. De groep van Jezus’ volgelingen groeit snel. Dat roept reactie op van de religieuze autoriteiten. Het is met name Saulus (de latere apostel Paulus) die de leerlingen van Jezus vervolgt. Stefanus is zelfs gestenigd. Het is gevaarlijk geworden in Jeruzalem en zo trekken veel mensen van de Jezusbeweging weg uit de stad.
Soms zijn het omstandigheden van buiten die onbedoeld en onverwacht een wending geven aan de geschiedenis. De mensen die gevlucht zijn voor de vervolging, raken verspreid. Daar waar ze terecht komen, vertellen ze over Jezus, want zwijgen, nee, dat kunnen ze niet.
Filippus, een van de apostelen, trekt naar Samaria. Joden hadden niet veel op met Samaritanen, zoals u weet, want die waren in hun ogen geen echte Joden. Ze gingen niet met elkaar om en onbegrip en vooroordelen waren er van beide kanten. Wanneer Filippus in Samaria terechtkomt, trekt hij zich daar niets van aan. Hij geneest er zieken, kreupelen, mensen die bezeten zijn en hij brengt de boodschap van Gods koninkrijk. Zo geeft hij inhoud aan de woorden van Jezus: ’Hebt elkaar lief.’ Veel Samaritanen, mannen en vrouwen, laten zich dopen.
Daar blijft het niet bij. Filippus doopt ook een Ethiopiër, een buitenlander. We hoorden in de eerste lezing hoe dat ging. De Ethiopiër was waarschijnlijk een godvrezende. Er wordt van hem verteld dat hij naar Jeruzalem was geweest om er te bidden. Een godvrezende, zo werd iemand genoemd die geen Jood was, maar zich wel aangetrokken voelde tot het Joodse geloof en zich ook aan bepaalde geboden hield. Filippus en de Ethiopiër raken in gesprek over de profeet Jesaja en over Jezus en zijn boodschap van het Rijk van God. En daar in de woestijn, langs de verlaten weg, is water (!?). ‘Wat kan ertegen zijn, dat ik gedoopt word?’ vraagt de Ethiopiër. Filippus doopt hem.
Na de Samaritanen, nu een Ethiopiër, een godvrezende weliswaar, maar geen Jood, een buitenlander. En, zo maakt Lucas duidelijk, dat is Gods wil. Eerst is er de engel van de Heer die Filippus aanspoort om deze weg te nemen, dan zegt de Geest hem naast de wagen van de Ethiopiër te gaan lopen. En vervolgens neemt de Geest Filippus weg en brengt hem naar een andere streek waar veel niet-Joden wonen om daar de goede boodschap te brengen. Filippus gaat grenzen over.

Wij zijn gewend in onze tijd om over de hele wereld te reizen en daarbij vele grenzen te overschrijden. Maar er zijn ook een ander soort grenzen.
Je hoeft Nederland niet te verlaten om een grens over te gaan en een andere wereld binnen te stappen. Stel: je bent altijd gezond geweest, hoogstens soms een griepje, een enkel bezoek aan de huisarts, maar dan blijk je een ernstige ziekte te hebben en kom je in de medische molen terecht. Dat betekent onderzoeken, wachten op uitslagen, nieuwe onderzoeken, ziekenhuisopname. Je leven wordt bepaald door je ziekzijn. Je moet geduld leren, met onzekerheid leren leven. Het is een wereld die je daarvoor niet kende.
Zo zijn er veel ‘werelden’ naast elkaar, met eigen regels, met een eigen manier van werken. Soms kom je er ongewild mee in aanraking.
Als iemand die je kent, ernstige psychische problemen heeft, rondloopt met suïcidale gedachten, dan kom je in een wereld die je daarvoor niet kende, een wereld van wanhoop, van diepe duisternis; soms ook van geschonden vertrouwen, van misbruik. Trek je je dan terug? Of blijf je bij die ander, indachtig het woord van Jezus: ‘Dit is mijn gebod: dat jullie elkaar liefhebben.’

In onze samenleving zijn er veel mensen met schulden. Oorzaken? Scheiding; baan kwijtgeraakt; geen inzicht in je financiën; hoge boetes als je te laat de rekeningen van huur, van gas, water en licht betaalt enzovoort. Het kan een mens zomaar gebeuren. Maar heb je eenmaal schulden, dan kom je daar niet zo gemakkelijk weer van af. Dan kom je terecht in de wereld van de schuldhulpverlening. Daar wil je liever niet zijn. Toch zijn er mensen, schuldhulpmaatjes worden ze genoemd, die zich hun lot aantrekken en proberen met hen hieruit te komen. Daar is veel voor nodig: je moet weten welke regelingen er zijn, je moet veel instanties bellen, een lange adem hebben en vasthoudend zijn. Je moet wel sterk gemotiveerd zijn om dit te doen. Je kunt het doen om verschillende redenen. Onder de schuldhulpmaatjes zijn nogal wat kerkmensen die het doen vanuit hun betrokkenheid bij mensen en die zo invulling geven aan het gebod van Jezus: Heb elkaar lief.

Liefhebben is bij Jezus ruimer dan bij ons. Waar wij het woord liefde meestal reserveren voor onze naasten, gaat de liefde van Jezus uit naar alle mensen en in het bijzonder naar de mensen die het moeilijk hebben. Heb elkaar lief: dat kan je invulling geven in je naaste omgeving, maar je kunt ook in de wereld van die ander stappen: de medische wereld, de wereld van de armen, van de vluchteling, noem maar op. Liefde is dan niet zozeer een warm gevoel, maar wel betrokkenheid en de bereidheid bij die ander te blijven en met hem/ haar een paadje zien te vinden waardoor hij/zij weer verder kan.

Wie mij liefheeft, onderhoudt mijn geboden.
Wat betekenen die woorden voor u?

H. van Schalkwijk