Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging fusieviering, 19 februari

Viering ter gelegenheid van de fusie tot de ene Hildegardparochie
Eerste lezing: uit Scivias van Hildegard van Bingen
Tweede lezing: Leviticus 19: 1-2, 17-18
Evangelielezing: Mattheüs 5: 38-48

Toen we in het pastoresteam spraken over deze viering en over de lezingen, werd er wel even bedenkelijk gekeken: een lezing over vijanden die je moet liefhebben? Is dat nu wel een passende lezing voor een fusieviering, een viering waarin parochianen van de verschillende gemeenschappen vieren dat ze één parochie zijn geworden? Vorige week zondag ging het over broeders (en zusters voegen wij er in onze tijd aan toe), dat was misschien beter geweest.
Hoewel, de verhouding tussen hen is soms ook moeizaam. Niet voor niets zegt Jezus: ‘noem je zuster geen leeghoofd, je broeder geen domkop, verzoen je met je broeder en zuster voor je je tot God wendt.’ Het weer goedmaken met je broeder, je zuster kan al moeilijk genoeg zijn, zo was de conclusie (in de Jozef en de Walfried althans). Vandaag dan die woorden van Jezus over vijanden. Tsja, we zijn toch als verschillende geloofsgemeenschappen geen vijanden van elkaar? Wat moeten we vandaag dan met deze woorden?

Even een terugblik. In 2010 kwam bisschop De Korte met het beleidsplan ‘Kwetsbaar en hoopvol’. Hij wilde de 81 parochies van toen samenvoegen tot 19 parochies. Heel wat parochies hadden er moeite mee en de bisschop heeft er tijd in gestoken om draagvlak te creëren voor zijn plannen. Dat verliep overigens niet overal even soepel. Onze vier parochies zouden ook worden samengevoegd. Wij waren geen vreemden voor elkaar. Dirk ten Dam was onze pastoor en er was al enkele jaren regelmatig overleg. Nu veranderde er iets, want daarvoor was het onze eigen keuze geweest en was het betrekkelijk vrijblijvend, maar nu werd het menens. Dat bleek moelijker dan gedacht. Iedere parochie hechtte zeer aan het eigen karakter. Ik heb in die tijd verschillende vergaderingen meegemaakt en ik wil niet zeggen dat we vijanden waren – dat gaat te ver – maar vrienden waren we ook niet. Er was vaak een gespannen sfeer en veel vertrouwen in elkaar was er niet.

Op een bepaald moment is er echter een omkeer geweest. Toen de besturen beseften dat een federatie, een wat losser verband, onbespreekbaar was voor de bisschop, heeft men aanvaard dat het een fusie moest worden. Sindsdien is het veel beter gegaan, al waren er soms nog wel hobbels. Je kan ook niet anders verwachten bij zulke ingrijpende processen. Nu is er een plezierige sfeer en wordt er goed samengewerkt. Er zullen, zo vermoed ik, in de toekomst nog weleens moeilijke momenten komen, met name als er verstrekkende besluiten genomen moeten worden. Misschien kunnen de woorden van Jezus ons dan helpen om daar goed doorheen te komen.

Afgelopen maandag was ik bij de gespreksgroep joden en christenen was en toen zei een van de joodse deelnemers: ‘Jezus was, tot mijn verrassing, veel joodser dan ik dacht.’ Ook voor christenen is dat vaak een ontdekking: dat Jezus joodser is dan wij dachten. Wij hebben de neiging om Jezus als uniek te zien, als iemand die een geheel nieuwe, verrassende boodschap bracht. Dat klopt niet helemaal. Jezus stond in de traditie van zijn volk. Wat hij zegt, is vaak ook te vinden in de Torah en in de discussies tussen de verschillende rabbijnen. De liefde die Jezus predikt, wordt door christenen soms gezet tegenover de Wet, het zich strikt houden aan de geboden, maar zo ligt het niet. Rabbi’s geven uitleg aan wat in de Torah staat en dat is wat Jezus in de Bergrede ook doet.

In de lezing van vandaag zegt Jezus o.a. : ‘God laat zijn zon opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.’ Het is een inzicht dat in Israël van lieverlee gegroeid was. Aanvankelijk was er de gedachte: als je goed, deugdzaam leeft, dan zal God je belonen. Als je slecht leeft, word je door God gestraft.’ Het is een gedachte die je nu ook soms nog hoort: ‘Waarom moet mij dat overkomen? Waar heb ik dat aan verdiend?’
Zo eenvoudig blijkt het niet te zijn. Men zag om zich heen dat sommige mensen die goed leefden, die God trouw dienden door ongeluk getroffen werden en aan de andere kant dat het goed ging met mensen die anderen kwaad deden, die zich van God noch gebod iets aantrokken. We zien dat ook in onze tijd om ons heen gebeuren.

In het boek Job wordt daarmee geworsteld. Het hele boek is gewijd aan de vraag: Waarom?! Waarom moet de rechtvaardige vaak zo’n bitter lot treffen? Men kwam dus niet uit met het schema: ben je een goed mens, dan word je beloond; ben je slecht, dan wordt je gestraft. En kan je de mens, zo vroeg men zich af, wel indelen in goede en slechte mensen? Niemand is alleen maar goed en ook niemand is helemaal verdorven, want goed en kwaad vechten met elkaar in het hart van iedere mens, in het hart van u en mij. – En zou het anders zijn, zo zou ik willen vragen, in een geloofsgemeenschap? In elke gemeenschap vind je goed en kwaad. Dat te beseffen, kan ons bij geschilpunten tussen de gemeenschappen helpen om te relativeren en een realistischer beeld te houden van onze – nee, niet van onze vijand, maar wel van die ander die in bepaalde kwesties onze tegenstander is. –

Terug naar de rabbi’s. Men vroeg zich af: hoever gaat Gods genade? Wanneer zegt Hij: ‘Dit kan niet meer, jou verwerp Ik? Hoe kunnen wij daarover oordelen? Men kwam tot de conclusie dat je iedereen liefde moet betonen. God zoekt immers toenadering tot álle mensen, ongeacht hun houding en gedrag tegenover Hem? Daarom kan Jezus zeggen: ‘Hij laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.’ Daarin staat hij niet ver af van rabbi Abbahoe, die zei: ‘Een dag van regen is groter dan de dag van de opstanding, want de dag van de opstanding komt alleen ten goede aan de vromen, terwijl een dag van regen zonder onderscheid ten goede komt aan vromen èn zondaars.’
In het Jodendom wordt het gebod om elkaar lief te hebben gezien als het belangrijkste gebod. In de Evangelielezing van vandaag gaat het over dit gebod. Jezus zegt: ‘Jullie hebben gehoord dat er gezegd is: je moet je naaste liefhebben en je vijand haten, en ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bidt voor wie jullie vervolgen.’ Heeft Jezus dat zo gezegd?!

De Evangelist Mattheüs wil dat de boodschap van Jezus: heb je vijanden lief’, duidelijk overkomt en daarom stelt hij de zaken zo op scherp, maar de uitspraak ‘haat je vijanden’ is niet te vinden in de Torah en Jezus als goede jood weet dat. Staat er in Spreuken niet: wanneer je vijand ten val komt, verheug je dan niet en als hij struikelt, laat je hart dan niet verheugd zijn.’ Geen leedvermaak dus! Maar het gaat nog verder, je dient hem ook te helpen als het nodig is. Typerend voor het joodse denken is dat het heel concreet is. In het christendom kunnen wij erg mooi spreken over God, over de liefde, maar het staat soms ver van de dagelijkse praktijk. In het jodendom wordt de liefde heel praktisch ingevuld. Zo staat er in het boek Exodus: als je ziet dat de ezel van je vijand onder zijn last is bezweken, dan zal je hem niet in de steek laten, maar hem samen met de tegenpartij weer op de been helpen.’ En kijk, wat er dan kan gebeuren. Iemand gaat op weg en ziet dat de ezel van zijn vijand onder zijn last bezwijkt. Hij gaat erop af, steekt de handen uit de mouwen en helpt hem eerst bij het afladen en daarna bij het weer opladen. Een dorstig karwei in het hete klimaat van Israël. Vervolgens gaan ze samen naar een herberg waar de eigenaar van de ezel in stilte denkt: ‘Zoveel houdt deze man van mij en ik, stomkop, maar denken dat hij mij haatte.’ Ze praten met elkaar en sluiten vrede. Het is duidelijk: dit gaat niet alleen over een ezel, maar veel meer over de vraag: hoe los je conflicten op?

In de aanloop naar de fusie zijn er de nodige meningsverschillen geweest, maar de besturen hebben die weten op te lossen. En zo zijn we nu de Hildegard van Bingenparochie, vier verschillende geloofsgemeenschappen die een pastoresteam delen, die een gezamenlijk parochieblad hebben en er is een jaarprogramma bedoeld voor alle parochianen. Die vier geloofsgemeenschappen hebben ook hun eigenheid: de Salvator-Maria heeft het Salvatorcafé, er zingen vaak koren, er zijn vespers; de Walfried is een diaconale gemeenschap, men vraagt elke zondag aandacht voor de voedselbank, ze hebben een kwartaalblad, het Groene Blad, met veel inhoudelijke artikelen; de Jozef is onlangs Groene Kerk geworden (ben ik trots op!) en heeft een mooi oecumenisch aanbod over onderwerpen die betrekking hebben op geloven en op de samenleving. De Nicolaas, hier hapert het en dat ligt niet aan de Nicolaas, maar aan mij. Ik buig deemoedig het hoofd voor deze leemte in mijn kennis. Maar ik heb er wel heel betrokken en bekwame mensen ontmoet! En zij kunnen u vertellen wat de Nicolaasgemeenschap zo bijzonder maakt!

Aan de ene kant delen we dingen samen en aan de andere kant hebben we onze eigenheid. Dat kan spanningen opleveren. Hoeveel ruimte is er voor het eigen karakter, het eigen geluid? Daar zal niet iedereen hetzelfde over denken en daarom zal erover gesproken moeten worden. Er zijn een paar valkuilen. Hildegard, de naamgeefster van onze parochie, waarschuwt in de eerste lezing daarvoor: woede, haat en trots. Als we ons door die emoties laten meeslepen, zullen we er niet uitkomen.

Hildegard zag in dat woede, haat en trots een mens niet verder helpen, maar dat betekent niet dat ze omwille van de lieve vrede maar toegeeft. Als ze iets echt belangrijk vindt, dan houdt ze daaraan vast. De abt van het klooster waar ze woont, werkt haar tegen als ze een eigen klooster wil stichten, maar Hildegard is vastbesloten en het klooster komt er. Als je iets van wezenlijk belang vindt, moet je daarvoor staan. Het vraagt dat je probeert uit te leggen wat je bezielt, het vraagt geduld en echt luisteren van alle betrokkenen en de oprechte wil om tot een oplossing te komen.

Terug naar de woorden van Jezus: ‘Heb uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen.’ Dat lijkt onmogelijk, maar Jezus vraagt niet het onmogelijke. Liefhebben, zo zeggen de joodse rabbi’s, betekent niet dat je liefde moet vóelen voor je vijanden, je tegenstanders, de mensen aan wie je een hekel hebt, maar wel dat je daden van liefde dóet, dat je je vijand te eten geeft, als hij honger heeft, dat je hem te drinken geeft, als hij dorst heeft, dat je hem overeind helpt, als hij gevallen is. Maar is dat, zo kun je vragen, je vijand liefhebben als de daden die je doet niet bezield worden door liefde van het hart? Het antwoord is: als je een daad van liefde als gebod van God in alle eerlijkheid probeert na te leven, dan zullen de gevoelens van liefde volgen. Eerst het doen, dan het voelen; ofwel: de ziel volgt het lichaam. Jezus vraagt niet iets dat onze krachten te boven gaat. Ook niet als Hij zegt: heb je vijanden lief. Wel is Jezus wars van alle gemakzucht, van alle halfslachtigheid. Hij verlangt hartstochtelijk dat het Koninkrijk van God spoedig zal aanbreken en hij roept zijn leerlingen, dus ook ons, op om ons met hart en ziel in te zetten voor dat rijk van vrede. Die oproep geldt ook onze gemeenschappen.

Vandaag vieren we in dankbaarheid aan God dat we één parochie zijn, in het vertrouwen dat we van elkaar kunnen leren, dat we elkaar kunnen helpen om te groeien in geloof en dat we elkaar kunnen stimuleren om het geloof zichtbaar te maken in ons concrete doen en laten.

H. van Schalkwijk