Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging uit de oecumenische viering op 25 juni

25 juni 2017 | Nieuws

Viering in de Gastkerk (Zuidhorn) t.g.v. het 40-jarig bestaan van de Raad van Kerken Zuidhorn

Eerste lezing: de Naam van God
Schriftlezing: Exodus. 17: 1-7

In de eerste lezing zegt God: ‘Ik ben een verborgen God’. Het is een God die ons roept en tegelijk een God die verborgen is. Toen Mozes met de kudde van zijn schoonvader Jethro in de woestijn rondzwierf, heeft hij God zó ook leren kennen. Hij zag plotseling een struik die in lichterlaaie stond, maar niet verbrandde. Toen hij dichterbij kwam om te kijken wat er aan de hand was, klonk er een stem: ‘Doe je sandalen van je voeten, want de plek waar je op staat, is heilige grond.’ God sprak vanuit de brandende struik tot Mozes en gaf hem de opdracht Israël uit Egypte te leiden, want ‘Ik heb de ellende van mijn volk gezien en hun jammerklachten gehoord.’ Mozes had veel bedenkingen, maar daar nam God geen genoegen mee.
‘Maar als ze me vragen: wie heeft je gestuurd, wat moet ik dan zeggen?’ Daarop sprak God: ‘Je moet zeggen: ‘Ik ben die Ik ben heeft mij gestuurd.’
Een raadselachtige naam: Ik ben die Ik ben, een naam die het geheim van wie God is, niet onthult: God is en blijft een verborgen God. Nu wordt de naam ook wel vertaald met Ik ben er voor jullie. God, die zijn mensen nabij is. Deze beide aspecten klinken in die Naam door: Gods verborgenheid – wij kunnen Hem niet kennen, niet doorgronden – èn dat God ons nabij is.

Mozes geeft gehoor aan Gods opdracht en leidt het volk Israël weg uit Egypte, het land van slavernij. Hun tocht op weg naar het Beloofde Land is geen gemakkelijke tocht. Ze ondervinden vele moeilijkheden, lijden honger en dorst. Door de zorg van God vinden ze echter water en voedsel. Ze trekken verder, maar als ze dan aankomen in Refidim, dan is opnieuw het water op. Ze zijn vergeten dat God hen al eerder geholpen heeft. Ze zijn boos en wanhopig. ‘Waarom heb je ons weggevoerd uit Egypte, als we toch met kinderen en vee moeten sterven?!’

Veertig jaar lang zal de tocht van het volk Israël duren, voor zij het land dat God hen beloofd heeft, binnen kunnen gaan. Meer dan eens verliezen ze de moed en willen ze terug. Het leven in Egypte was zwaar; het was een slavenbestaan, maar dat is, zo menen ze, toch beter dan dit onzekere bestaan in een vreemd en onbekend gebied.

De Raad van Kerken bestaat 40 jaar. Onze tocht is niet zo zwaar geweest als die van het volk Israël, maar een aantal overeenkomsten zijn er wel.
Ruim 40 jaar geleden kennen de mensen uit de verschillende kerken elkaar nog niet echt en dan samen te gaan werken in een Raad van Kerken en samen te gaan vieren? Dat is toch onbekend gebied. Onze eigen kerk, onze eigen gewoontes, onze eigen liederen kennen we, maar de anderen zijn ons vreemd. Er heersen onder de beminde gelovigen wel een aantal vooroordelen, over roomse poespas, over rechtlijnige gereformeerden en… Gelukkig zijn er een aantal voortrekkers die net als Mozes zich geroepen weten, het initiatief nemen en een begin maken. Wanneer de Raad wordt opgericht in 1973 zijn er wel verschillende jaren van overleg en voorbereiding aan voorafgegaan.

Oecumene is gave en opgave tegelijk. We hebben mooie en moeilijke tijden gekend.
Soms was ons samen optrekken als een trekken door de woestijn: als we heel moeizame vergaderingen hadden, als we vieringen voorbereidden en er steeds weer werd gezegd: ‘Wij zijn het gewend om het zo te doen’. Hoe moeilijk bleek het om het dit keer anders te doen!
Maar er waren ook altijd weer oases, een plek waar we weer op adem kwamen. Een van die oases draagt de naam ‘Verbondenheid’.
Toen we in de voorbereidingsgroep met elkaar hier over spraken, bleken we de verbondenheid vooral in de eigen gemeenschap te ervaren. Sterker naarmate je ook actief betrokken bent. Dat kan zijn omdat je lid bent van de kerkenraad of het parochiebestuur, of omdat je het kerkblad rondbrengt of koffie schenkt of ..
Je voelt dat je deel uitmaakt van de gemeenschap. Je voelt je er thuis. Voelt u ook die verbondenheid met de mensen van uw kerk?

De verbondenheid tussen de verschillende kerken hebben mensen heel sterk ervaren toen we voor het eerst een dienst van Schrift en Tafel vierden, Brood en Wijn deelden en zo verbonden waren, met elkaar, met Jezus Christus en met God.
De weg naar die gezamenlijke dienst van Schrift en Tafel begint al in de jaren ’80. Er wordt de vraag gesteld of we samen eucharistie/ avondmaal kunnen vieren. Er worden gesprekken gevoerd tussen de kerken, standpunten uitgewisseld, maar daar blijft het bij. In de jaren ’90 komt die vraag opnieuw op. Weer zijn er gesprekken tussen kerkenraden en parochiebestuur, tussen gemeenteleden en parochianen. En nu komt het er wel van. In september 1999 vieren we voor het eerst samen de Maaltijd van de Heer! Het voelt nog wat onwennig, maar er is ook het gevoel: wat goed om dat samen te doen!

Nog even over die verbondenheid. De verbondenheid in de kerk is geen verbondenheid van o.s.m. (ons soort mensen), want wij denken en geloven niet allemaal hetzelfde. We hebben ook niet allemaal dezelfde positie in de samenleving, we hebben ieder onze eigen levensgeschiedenis en achtergrond. Bij Jezus is iedereen welkom, wie je ook bent, hoe je leven ook gelopen is, Als het goed is, is dat ook zo in de kerk. Niet dat het ons lukt om dat altijd waar te maken.. Verbondenheid in de kerk vraagt verdraagzaamheid en dat je ruimte laat voor andere opvattingen. Verbondenheid is alleen mogelijk als je niet krampachtig vasthoudt aan je eigen manier van geloven maar bereid bent om naar de ander te luisteren, om in gesprek te gaan en samen op zoek te gaan naar wat geloven in onze tijd betekent.

Soms trokken we maar moeizaam voort. Soms werden we moedeloos en dan dreigden we bij de pakken te gaan neerzitten. Dat kon gebeuren door gebeurtenissen van buitenaf. In de jaren ’60 leek een toenadering tussen de kerken mogelijk. Men komt tot erkenning van elkaars doop en op verschillende plekken delen meerdere kerken één kerkgebouw. Op die plekken wordt er vaak ook samen gevierd. Maar de bisschoppen maken een terugtrekkende beweging. Samen bidden mag, maar samen Brood en Wijn delen niet. En steeds vaker krijgen protestanten en anderen te horen dat ze niet mogen deelnemen aan de eucharistie, als zij die bij gelegenheid van een huwelijk, begrafenis of bisschopswijding bijwonen.
Er zijn ook andere oorzaken dat we niet snel vooruitkomen. Door het afnemend kerkbezoek en de teruglopende inkomsten, moeten kerken gaan nadenken over hun toekomst. Is er nog een toekomst? Men is druk bezig het voortbestaan van de eigen kerk mogelijk te maken. Er is minder ruimte en energie voor oecumenische activiteiten. Men heeft genoeg aan zichzelf.
Dat maakt het klimaat voor oecumene droog en dor.

Maar altijd zijn er ook weer oases. Toen onze kelen dorstig waren en onze voeten stoffig en vermoeid van het gaan, kwamen we aan in de oase die de naam Verwondering draagt.
We kijken elkaar aan en zeggen: ‘Hoe wonderlijk dat wij hier in Zuidhorn toch nog steeds met elkaar optrekken, samen vieren en mooie avonden kunnen verzorgen.’
We zijn ons ervan bewust dat we onderweg ook zaken hebben verloren. Vroeger hadden we vier Winteravondlezingen en nu nog maar twee. En met initiatieven voor jonge mensen wil het niet lukken. Maar er gebeuren toch dingen die ons dankbaar stemmen. Er zijn avonden waarop mensen met elkaar spreken over hun geloof en over wat hen beweegt. Omdat het vaak kleine groepjes zijn, zijn mensen soms heel open en zeggen wat er diep in hen leeft. Dan ervaar je vol verwondering: ‘We staan hier op heilige grond.’
Soms groeit er onverwacht iets moois. Neem de cantate. Eerst leek het meer op een cactus, zo stekelig waren de gesprekken aanvankelijk. Er zaten veel haken en ogen aan (ook financieel), maar er bleek toch een hele mooie bloem aan die cactus te komen. Elk anderhalf jaar bloeit deze cactus en nog een wonder: de cactus prikt niet meer …

In de kerk mag de verwondering niet ontbreken, want geloven en je kunnen verwonderen horen bij elkaar. Geloven vraagt om openheid voor wat je niet kunt meten, niet kunt bevatten; openheid voor wat je niet verwacht, voor wat je gegeven wordt, je toevalt. Die openheid is er als je je kunt verwonderen; als je niet de dingen maar voor vanzelfsprekend aanneemt; niet van ‘ja, de wereld is er, is dat dan zo bijzonder?’ maar: ‘deze wereld is er en dat is heel bijzonder, deze wereld die zo wondermooi kan zijn en soms ook zo angstaanjagend.’
Dat je de situatie zoals die is, niet maar neemt als een gegeven: ‘zo is het gewoon,’ maar dat je je verwondert dat mensen staande blijven hoe moeilijk de situatie soms ook is; dat je je verwondert dat mensen zich blijven verzetten tegen onrecht, tegen armoede, tegen aantasting van het milieu. Dat wekt hoop en vertrouwen.
Geloof kan niet zonder verwondering, zo lijkt mij. En hoe denkt u daarover?

We trekken verder op onze tocht, maar steeds meer mensen haken af. Onze groep wordt kleiner. Vroeger konden we de lasten verdelen over velen, maar nu zijn het weinigen die het werk doen. Is het wel verstandig om alles mee te nemen en het te blijven doen zoals we gewend waren? Maar als je steeds meer moet achter laten, wordt het dan niet heel schraal? Soms kan het gevoel je bekruipen: ‘Waar zijn we eigenlijk mee bezig? Zijn we nog wel op weg? Heeft het zin?’ En dan kan het soms ook door je heen gaan: ‘Is God nog bij ons of niet?’ De twijfel klopt aan.
Waarom zou je nog geloven? Zonder geloof kan ook, dat zie je toch? Ook in je eigen omgeving zijn er genoeg mensen die niets hebben met geloven, broers, zussen, kinderen, vrienden, noem maar op.
Bij een gemeenschap horen zoals de kerk is, is in onze individualistische tijd zeker waardevol, maar is dat het dan? Dat je ergens bij hoort? Of is het toch meer? Het geloof zoals het vroeger was, is veranderd. Het rapport over het Schriftgezag uit de jaren ’70 is daar een teken van. We leerden toen dat we de bijbel niet altijd letterlijk moesten verstaan, maar dat we veel meer op zoek moesten gaan naar wat de bijbelschrijvers wilden zeggen. Dat sommige uitspraken misschien wel tijdgebonden waren. Voor de een was dat een bevrijdend inzicht, voor een ander bedreiging van het geloof. Waar is de geborgenheid, het weten dat er een God is die over ons waakt, waar is het vertrouwen van toen?
We lopen verloren en weten niet meer welke kant de weg op gaat. We trekken verder, maar zullen we onze bestemming wel bereiken en wat is eigenlijk onze bestemming? Weten we dat nog?

En dan komen we in een oase waarvan de naam luidt: Zin/Zingeving.
Daar is een plek waar we met anderen kunnen nadenken over ons geloven. Slaat geloven nog ergens op, heeft het nut? Wat betekent het voor mij? Maakt het deel uit van wie ik ben?
Hier kunnen we nadenken over de kerk, de geloofsgemeenschap die we zijn. Waar dient de kerk eigenlijk toe?
Hier kunnen we nadenken over wat de zin van ons leven is? Zijn wij er maar toevallig en is met de dood alles voorbij, zoals veel mensen beweren?

Is God nog bij ons? Of niet? Een vraag die al heel oud is.
Er zijn ons verhalen overgeleverd die ons vertellen over een God wiens Naam luidt: Ik ben die Ik ben, onkenbaar, en tegelijk Ik ben er voor jullie. Misschien kennen we die God alleen van horen zeggen, misschien ook uit eigen ervaring.
Deze God die ons roept en zegt: geen weg is de ware; er lopen vele wegen naar Mij toe. Als onderweg Mijn droom maar tot leven komt, een wereld van goedheid en vrede, als de weg maar uitkomt bij Mij.’

Wat denkt u: kan deze God zin geven aan ons kerk zijn, aan ons leven, aan de wereld?

H. van Schalkwijk