Jozefgemeenschap

Bezinning

Overweging zondag 30 april, de Emmaüsgangers

30 april 2017

Eerste lezing: De lege plek in het woud (een kort Joods verhaal)
Tweede lezing: Lucas 24: 13-35

De lege plek in het woud

Wanneer de grote rabbi Baäl Sjem Tov voor een moeilijke taak stond,
ging hij naar een bepaalde plaats in het woud,
stak daar een vuur aan en sprak een gebed uit.
Wat hij van plan was te volbrengen, werd volbracht.

Wanneer een generatie later rabbi van Meseritz
zich voor een moeilijke opdracht gesteld zag,
ging hij naar dezelfde plek in het woud en zei:
“Eeuwige, we kunnen het vuur niet meer doen ontbranden,
maar het gebed kunnen we nog wel bidden. Dat moet voldoende zijn.’
En wat hij van plan was te volbrengen, werd volbracht.

Wanneer een generatie later rabbi Mosje Leib van Sassov
een moeilijke taak moest volbrengen, ging hij het woud in en zei:
‘Eeuwige, het vuur kunnen we niet meer aansteken
en het gebed dat we moeten opzeggen, kennen we niet.
Maar we weten de plaats in het woud, waar alles gebeurd is.
Dat moet voldoende zijn.” En het was voldoende.

Maar toen er weer een generatie voorbij was
en rabbi Israël van Rishin geroepen werd om zijn taak te volbrengen,
ging hij in zijn huis op een stoel zitten en sprak tot God:
‘We kunnen het vuur niet meer doen ontbranden,
we kennen het gebed niet meer,
we weten zelfs de plek in het woud niet meer, waar dit alles moest gebeuren.
Maar we kunnen wel het verhaal vertellen van hoe het gedaan werd.
Dat moet voldoende zijn.’
En het was voldoende

De twee mensen die op weg zijn naar Emmaüs, zijn in gesprek met elkaar over wat er gebeurd is. Ze zijn hevig geschokt door de gebeurtenissen van de afgelopen dagen. Al lopend praten ze erover, wisselen van gedachten over wat er gebeurd is. Lucas gebruikt verschillende woorden om aan te geven dat zij druk in gesprek zijn. Dat is heel herkenbaar. als jou iets overkomt wat je erg raakt, dan wil je daarover vertellen. Niet voor niets is er de uitdrukking ‘waar het hart vol van is, loopt de mond van over.’ Het houdt je bezig en je praat er met anderen over. Die twee mensen op weg naar Emmaüs zijn druk in gesprek als er een derde bij komt lopen en hen vraagt: ‘Waar praten jullie over?’  Daarop blijven ze stilstaan en Kleopas begint te vertellen.

Soms overkomt je dat, dat je – om zo te zeggen – wordt stilgezet. Je leeft je leven, de dingen gaan zoals ze gaan, maar dan gebeurt er iets dat je aangrijpt en dan kun je niet doorgaan met je leven zoals je dat gewend bent. Bijvoorbeeld doordat je partner zegt dat hij niet langer met je verder wil; of wanneer je, altijd maar druk, altijd maar bezig, het plotseling niet meer kunt en je overspannen blijkt te zijn; als je plotseling te horen krijgt dat je een ernstige ziekte hebt.

Dat zijn momenten waarop je – vaak door omstandigheden van buitenaf – gedwongen wordt om stil te staan. Misschien heb je al langere tijd gevoeld: ‘het gaat niet goed, we vervreemden van elkaar’. Of ‘ik het eigenlijk veel te druk. Ik houd het niet vol.’  Misschien maalde het al langer in je hoofd: het gaat niet goed, ik moet iets, maar wat moet ik dan? Wat kan ik dan? Het maalt en maalt in je hoofd, maar je weet geen oplossing. Je blijft in een kringetje ronddraaien. Misschien heb je er al wel over gepraat met anderen, maar er veranderde tot dusver niets. Je ging door. Tot het moment dat het niet meer kan. En dan komt de vraag op: ‘Wat is er allemaal gebeurd? Hoe is het zo gekomen?’ en: ‘Wat betekent dat eigenlijk voor mijzelf en voor mijn naasten?

Aan die twee mensen die onderweg zijn naar Emmaüs, wordt ook die vraag gesteld wat er dan wel gebeurd is? En dan kunnen ze vertellen over wat er gebeurd is, over Jezus die ter dood veroordeeld is, en gekruisigd is, over wie Jezus voor hen geweest is, over hun hoop dat Hij Israël bevrijden zou. Ze vertellen ook over de twijfels die ze hebben: vrouwen hebben verteld over het lege graf en over engelen die zeiden dat Jezus leefde, maar het is nu al de derde dag  nadat dit gebeurd is..

Als je ergens mee zit en iemand vraagt naar wat er gebeurd is en je merkt dat die ander bereid is om te luisteren, écht te luisteren, dan kan dat je helpen om stil te staan bij de vraag wat er in wezen aan de hand is. Nu komt echt luisteren niet zo vaak voor. Er wordt veel gepraat en veel gediscussieerd, maar dat is iets anders. Dan poneert de een iets en de ander zet er zijn mening tegenover, maar er wordt geen poging gedaan om te ontdekken wat de ander echt bedoelt, wat de ander beweegt. Als de ander wel echt luistert, dan ontstaat er ruimte om te vertellen over wat je bezighoudt, over je twijfel, over wat je had gehoopt, waarin je teleurgesteld bent.

Als de ander echt luistert, dan kan dat helpen om de warboel te ontrafelen, om zaken te ordenen, om ze helder te krijgen. Jezus doet dat. Hij vraagt Kleopas en zijn metgezel wat er is en geeft hen zo de gelegenheid om te vertellen. Hij sluit aan bij waar zij zijn, bij hun verdriet en bij hun twijfel. Dingen worden benoemd en daarmee helder.

Maar Jezus gaat een stap verder. Hij legt aan de hand van de Schriften uit dat de Messias moest lijden en sterven. De leerlingen zijn Joden; voor hen zijn de Schriften, Mozes en de Profeten, gezaghebbende geschriften. Jezus helpt hen om op een nieuwe manier die te verstaan en zo maakt hun verdriet gaandeweg plaats voor hoop. ‘Zou de dood van Jezus dan toch niet het laatste zijn?’

Maaltijd in Emmaüs (Rembrandt)

Het gaat hier bij de Emmaüsgangers om wat ik zou willen noemen de ‘trage’ vragen. Vragen waar je niet snel een antwoord op vindt. Het betreft vragen als ‘waarom gebeuren die dingen? Waarom gaat iemand te vroeg dood? Waarom komen er zulke moeilijke dingen op mijn weg?’
We moeten ermee in het reine zien te komen. Het kan toch maar niet toevallig zijn, stomme pech? Daarom gaan we op zoek naar de zin ervan. Welke betekenis kunnen we geven aan dat wat er gebeurt? Jezus geeft betekenis aan zijn dood aan de hand van de Schriften. Maar laten mensen van onze tijd zich nog gezeggen door de Schriften?

Vorige week zaterdag had ik een reünie met een aantal klasgenoten van het gymnasium. Het was het Christelijk Lyceum in Alphen aan de Rijn. Boven de ingang van de school stond de tekst ‘De vreze des Heren is het begin van alle wijsheid.’ Bij sommigen stond dat nog in het geheugen gegrift, maar de vreze des Heren zelf – anders gezegd: het ontzag voor God – was in de loop der jaren onderhevig geweest aan erosie..
Enkelen waren nog steeds betrokken bij kerk en geloof, terwijl anderen het geloof hadden losgelaten. De bijbel, zo belangrijk in protestantse kring,  had voor hen zijn zeggingskracht verloren. Als je zegt: ‘In de bijbel staat toch..’, dan zal je hen daar nu niet meer mee overtuigen.

Bij katholieke gelovigen is dat ook geen argument dat je woorden veel kracht bij zet.  Katholieken onderschrijven in principe wel de belangrijkste thema’s in de bijbel: De Tien Geboden, dat je anderen moet helpen, dat we Jezus moeten navolgen, dat God om mensen geeft, maar je moet er niet te diep op ingaan. (In het algemeen gesproken dan. Er zijn altijd uitzonderingen).
Voor mij, met mijn protestantse wortels, is de bijbel een gezaghebbend boek, maar ik weet ook dat deze geschreven is in een andere tijd met een ander wereldbeeld. Als het bv. gaat om het leven na de dood, zijn de beelden uit de bijbel dan onverkort geldig? Of zijn ze toch tijdgebonden en moeten we ze nu anders verstaan??

Als we het nu proberen met: ‘De kerk leert…’ Vroeger gold wat paus en bisschoppen zeiden als waar. Wat zij je voor hielden te geloven, dat geloofde je. Maar in deze tijd hebben mensen zo hun eigen opvattingen en misschien zijn dat dezelfde als van het leergezag, maar misschien ook niet.
Als noch de bijbel noch paus en bisschoppen het laatste woord kunnen spreken, hoe moeten we dan onderscheid maken tussen wat waar is en wat niet, welke betekenis we moeten geven aan de dingen die ons overkomen? Moeten we dat zelf uitmaken? En hoe doen wij dat? Met behulp waarvan doen wij dat? Gaan we af op ons verstand?

Maar ons verstand is beperkt. Hoeveel overzicht hebben we, gezien de lange mensengeschiedenis, nu eigenlijk? We hebben maar een korte geschiedenis: 50, 60 jaar, 70, 80, misschien 90. Er is heel veel te weten, maar we kunnen maar een zeer beperkt deel daarvan verwerken. Je kunt op een bepaald terrein zeer deskundig zijn, maar van andere dingen weet je niets. Zo’n klein beetje kennis en daarmee zal je beoordelen wat waar is en wat niet? Bovendien kun je met je verstand de werkelijkheid maar ten dele kennen.

Gaan we af op ons gevoel? Is gevoel een goed kompas? Elk mens loopt blauwe plekken op, waardoor je op sommige punten overgevoelig reageert. Op andere momenten ontgaan je dingen. Je gevoel laat zich ook gemakkelijk misleiden omdat een bepaalde opvatting je goed uitkomt, omdat een bepaalde opvatting je troost, maar is het daarom wáár?

Wij zijn beperkt in ons denken en ons voelen. Daarom lijkt het wijs dat te onderkennen en het juiste midden te zoeken. Wees niet te goedgelovig en wijs niet alles af wat je niet verklaren kunt. Wij zoeken naar betekenis en we geven niet dezelfde betekenis aan de dingen. Iemand van wie je houdt, gaat dood. De een vindt troost in de gedachte dat niet het noodlot hem heeft weggenomen, maar dat God hem bij zich heeft geroepen. De ander vindt het een onverdraaglijke gedachte dat het Gods wil zou zijn. Wie ziet het juist?

Dat is de lastige situatie waarin wij ons bevinden. De zekerheden die de bijbel en de kerk ons gaven,  hebben we losgelaten, maar nu moeten wij het zelf uitmaken. Zolang we voortgaan, de dingen hun gewone gang gaan, dan lukt dat wel, maar soms worden we stilgezet en wordt ons gevraagd: wat is er gebeurd? Wat betekent dat voor je?
Hoe goed is het dan als je kunt vertellen over alles wat je bezighoudt, over je vragen en je twijfels.  Maar je blijft wel zitten met onbeantwoorde vragen. Vragen waar anderen geen antwoord op kunnen geven, waar je zelf een antwoord op moet zien te vinden.

Avondmaal in Emmaüs (Caravaggio)

Maar het verhaal is nog niet uit. Jezus is met de leerlingen op weg naar Emmaüs. Hij doet alsof Hij verder wil gaan, maar zij dringen er bij Hem op aan bij hen te blijven, want het is bijna avond. Hij gaat met hen mee en blijft bij hen. Wanneer Hij met hen aan tafel aanligt, het brood breekt en aan hen geeft, worden hun ogen geopend en zij herkennen Hem.

In onze tijd zijn we onze zekerheden kwijtgeraakt. Wij kunnen niet meer terug naar de tijd waarin de kerk het laatste woord had inzake geloof. Wij maken onze eigen keuzes, hebben onze eigen gedachten over het een en ander. Dat heeft dus ook zijn keerzijde: bijbel en kerk geven ons niet meer de zekerheden van vroeger; verstand en gevoel kunnen ons ook geen definitieve antwoorden geven. Ik voel mij verwant aan de laatste rabbi uit het verhaal, rabbi Israël van Rishin, die zegt: ‘Ik kan het vuur niet aansteken, ik ken het gebed niet, ik kan zelfs de plaats niet terugvinden in het woud.’

Zo voel ik me ook. Maar zegt rabbi Israël van Rishin: ‘Al wat ik kan, is dit verhaal vertellen. Dat moet voldoende zijn.’  En zie, het was voldoende. Zo is het ook met ons: we hebben de bijbel, niet als laatste woord, maar als bron van inspiratie, een boek dat vragen stelt, dat ons uitdaagt. Wij hebben de kerk, d.w.z. de geloofsgemeenschap waar wij elkaar ontmoeten en met elkaar kunnen spreken over wat wij geloven en niet geloven, over onze twijfels en onze diepe overtuigingen. Wij kunnen met elkaar het brood breken en delen. Daarbij mogen wij, net als eens de leerlingen in Emmaüs, Jezus in ons midden weten.

Wat denkt u: zal dat, om te kunnen blijven geloven en te blijven hopen, voldoende zijn?

 

H. van Schalkwijk